ECLI:NL:HR:2005:AU1962
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ondanks aangiften
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie verworpen tegen een arrest van het gerechtshof dat verdachte vrijsprak van de tenlastegelegde feiten. Het hof had geoordeeld dat, hoewel er aangiften waren, het overige bewijsmateriaal onvoldoende was om tot een veroordeling te komen. De Hoge Raad bevestigt dat het hof op grond van de aan hem voorbehouden waardering van het bewijsmateriaal tot de overtuiging is gekomen dat verdachte de feiten niet heeft begaan.
De Hoge Raad benadrukt dat de verwijzing van het hof naar artikel 342, tweede en derde lid van het Wetboek van Strafvordering, niet als zelfstandige motivering moet worden gezien, maar als een uitdrukking van het feit dat het bewijs tekortschiet. Het middel van het OM dat ander bewijsmateriaal beschikbaar zou zijn, wordt verworpen omdat het hof vrijspraak terecht heeft uitgesproken op basis van zijn eigen beoordeling van het bewijs.
De uitspraak onderstreept het belang van de bewijslast en de beoordelingsvrijheid van het hof bij het bepalen of de verdachte schuldig is. Het cassatieberoep wordt verworpen en de vrijspraak blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens onvoldoende bewijs en verwerpt het cassatieberoep.