ECLI:NL:HR:2005:AU2030

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03412/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 APV-gemeente Groningen 1994Art. 7 Grondwet
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling strafbaarheid aanplakken poster voor cultureel evenement onder APV Groningen

De zaak betreft een verdachte die op 11 november 2002 een poster heeft aangeplakt op een plakzuil in Groningen zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende. De poster riep op tot een cultureel evenement waarvoor een toegangsprijs werd geheven. Het hof oordeelde dat dergelijke posters in beginsel reclame zijn in de zin van artikel 56, tweede lid onder d, van de APV-gemeente Groningen 1994 en dat het aanplakken ervan zonder toestemming strafbaar is.

De verdediging stelde dat het ging om ideële reclame, niet om handelsreclame, omdat de posters culturele evenementen promootten en daarmee een mening of idee verkondigden. Het hof verwierp dit verweer omdat de verdachte vrijwel uitsluitend commerciële reclame plakte in opdracht van een reclamebedrijf dat orders ontving van diverse bedrijven, en de evenementen waarvoor reclame werd gemaakt doorgaans toegangsgeld vroegen.

De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof niet onjuist was en dat er geen feiten en omstandigheden waren die tot een andere conclusie leidden. Het beroep in cassatie werd daarom verworpen. De straf van een voorwaardelijke hechtenis van één week en een geldboete van €160,- bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de straf voor het zonder toestemming aanplakken van een poster als reclame in strijd met de APV Groningen.

Uitspraak

25 oktober 2005
Strafkamer
nr. 03412/04
PB/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 mei 2004, nummer 24/000979-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Groningen, sector Kanton, van 8 juli 2003 - de verdachte ter zake van "overtreding van het bepaalde in artikel 56, eerste lid aanhef en onder b, van de APV-gemeente Groningen 1994" veroordeeld tot één week hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 160,- subsidiair drie dagen hechtenis, met verbeurdverklaring als in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel richt zich tegen de verwerping door het Hof van het beroep op art. 56, tweede lid onder d, van de APV-gemeente Groningen, strekkende tot ontslag van rechtsvervolging.
4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij, op 11 november 2002, te en in de gemeente Groningen, op een gedeelte van een onroerend goed zichtbaar vanaf de weg, het Zuiderdiep, te weten op een plakzuil, zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende, posters (de Hoge Raad leest: een poster) heeft aangeplakt."
4.3. Art. 56 APV Pro-gemeente Groningen 1994 luidt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
"Plakken en kladden
1. Het is verboden, op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak, dat vanaf de weg zichtbaar is:
(...)
b. een aanplakbiljet of een ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen.
(...)
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien:
(...)
d. gebruik gemaakt wordt van door burgemeester en wethouders aangewezen aanplakobjecten die uitsluitend zijn te gebruiken voor het aanbrengen van meningsuitingen, voor zover het geen reclame betreft.
(...)"
4.4. Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep van 14 mei 2004, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:
"De onderhavige affiches zijn posters die oproepen voor culturele evenementen zoals tentoonstellingen, theatervoorstellingen, exposities en diverse optredens. Dit betreft een uitnodiging van mensen en instellingen die middels hun culturele evenement een mening of een idee te verkondigen hebben. Dit betreft dan ook de zogenaamde ideële reclame en geen handelsreclame in de zin van artikel 7 van Pro de grondwet."
4.5. Het Hof heeft met betrekking tot dit verweer, voor- zover hier van belang, het volgende overwogen:
"Uit het tot bewijs gebezigde proces-verbaal van verbalisanten Hage en Timmer blijkt dat verdachte op bedoelde plakzuil een poster heeft geplakt met de tekst "Progressive dance". Een nadere omschrijving van de inhoud van de poster ontbreekt in het genoemd proces-verbaal. De advocaat-generaal was niet in staat ter terechtzitting van het hof de betreffende poster over te leggen; ook de advocaat beschikte niet over een exemplaar van de poster. Uit het samenstel van zaken die onder de parketnummers 24-00959-03, 24-00960-03, 24-00961-03, 24-00962-03, 24-00963-03 en 24-00964-03, door het hof op de zitting van 14 mei 2004 gelijktijdig behandeld, blijkt echter dat verdachte vrijwel uitsluitend commerciële reclame plakte in opdracht van [A] BV, die daartoe orders ontving van verschillende bedrijven. Het ging daarbij vrijwel zonder uitzondering om evenementen waarvoor toegangsgeld werd geheven. Mede in aanmerking genomen het opschrift van de poster - "Progressive dance" - is het hof derhalve van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 56, tweede lid onder d APV-gemeente Groningen van toepassing is ter zake van het de verdachte tenlastegelegde feit."
4.6. In deze overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat posters voor culturele evenementen waarvoor een toegangsprijs dient te worden betaald, in beginsel reclame is in de zin van art. 56, tweede lid onder d, van de APV-gemeente Groningen 1994. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts volgt uit die overwegingen dat naar het oordeel van het Hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat ingevolge genoemd artikel van die APV het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde niet strafbaar is. Dat oordeel is in het licht van de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden, niet onbegrijpelijk. In aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte over de (tekst van de) poster is aangevoerd, behoefde dat oordeel geen nadere motivering.
4.7. Het middel is derhalve niet gegrond.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op25 oktober 2005.