ECLI:NL:HR:2005:AU2275
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling allocatie eigen vermogen aan vaste inrichting voor vennootschapsbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1995 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, die na bezwaar werd verminderd tot een binnenlands belastbaar bedrag van ƒ 642.840. Tegen deze uitspraak van de Inspecteur werd beroep ingesteld bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de allocatie van eigen vermogen aan de vaste inrichting in Nederland. Het Hof oordeelde dat de Europese richtlijnen omtrent banken (Tweede Bankenrichtlijn en Beleggingsrichtlijn) de allocatie van eigen vermogen voor fiscale winstbepaling niet belemmeren. Verder stelde het Hof dat in het algemeen niet kan worden vastgesteld hoe een specifiek activum is gefinancierd, en dat ieder activum in zekere mate door eigen vermogen wordt gedekt. Belanghebbende slaagde er niet in het tegendeel aannemelijk te maken.
De Hoge Raad bevestigde deze oordelen en verwierp de middelen van belanghebbende. De zelfstandigheidsfictie, zoals neergelegd in het belastingverdrag Nederland-België, rechtvaardigt het toerekenen van eigen vermogen aan de vaste inrichting, mits dit vermogen dienstbaar is aan de bedrijfsuitoefening. De boekhouding is niet doorslaggevend voor deze beoordeling. Ook het betoog over garantievergoedingen faalde wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.