ECLI:NL:HR:2005:AU2410

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/272HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige daad waterschap door verhoogd waterpeil

Eiseressen, bollenkwekers, vorderden schadevergoeding van het Waterschap De Oude Rijnstromen wegens het verhogen van het waterpeil tijdens een vorstperiode, waardoor schade aan hun bolgewassen zou zijn ontstaan. De rechtbank wees hun vorderingen af. In hoger beroep werd na bewijslevering en getuigenverhoor het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

De eiseressen stelden dat het waterschap onrechtmatig had gehandeld door het waterpeil dusdanig te verhogen dat schade aan de wortels van de bolgewassen kon ontstaan en dat het waterschap een waarschuwingsplicht had. Het hof oordeelde echter dat deze klachten onvoldoende waren om het waterschap aansprakelijk te stellen.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de bollenkwekers zonder nadere motivering, aangezien de aangevoerde klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De eiseressen worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het waterschap niet aansprakelijk is voor de schade aan bolgewassen door verhoogd waterpeil.

Uitspraak

9 december 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/272HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiseres 2], gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
de publiekrechtelijke rechtspersoon WATERSCHAP DE OUDE RIJNSTROMEN (voorheen Waterschap de Veen en Geestlanden), gevestigd te Leiderdorp,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] c.s. - hebben bij exploot van 2 mei 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: het Waterschap - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd het Waterschap te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en het Waterschap te veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
Het Waterschap heeft de vordering bestreden.
Na een ingevolge een tussenvonnis van 21 november 1995 op 9 januari 1996 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij eindvonnis van 16 april 1997 de vorderingen van [eiseres] c.s. afgewezen.
Tegen het eindvonnis van de rechtbank hebben [eiseres] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenarrest van 14 februari 2002 heeft het hof [eiseres] c.s. tot bewijslevering toegelaten. Na getuigenverhoor heeft het hof het vonnis waarvan hoger beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Waterschap heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Waterschap begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 december 2005.