ECLI:NL:HR:2005:AU2722
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Reikwijdte vrijstelling kansspelen in omzetbelasting en verhouding tot EU-richtlijn
In deze zaak heeft de Hoge Raad ambtshalve onderzoek gedaan naar de reikwijdte van de vrijstelling voor kansspelen zoals opgenomen in artikel 11, eerste lid, onderdeel l van de Wet op de omzetbelasting 1968. Dit onderzoek richt zich met name op de verhouding tussen deze nationale regeling en artikel 13, B, sub f, van de Zesde richtlijn van de Europese Gemeenschappen.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft zich in meerdere arresten uitgesproken over de interpretatie van dit artikel van de Zesde richtlijn, waarbij het meest recente arrest van 17 februari 2005 in de gevoegde zaken C-453/02 en C-462/02 aanleiding gaf tot nadere beschouwingen in deze conclusie.
Daarnaast omvat de conclusie een ambtshalve onderzoek naar de reikwijdte van post b. 15 van tabel I, behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968. De zaak betreft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de jaren 1994 tot en met 1996.
De Hoge Raad heeft in deze conclusie niet inhoudelijk op de voorgestelde middelen gereageerd, maar richt zich op de rechtsvragen omtrent de toepassing van de vrijstelling en de verhouding tot Europese regelgeving.
Uitkomst: De Hoge Raad verricht ambtshalve onderzoek naar de reikwijdte van de vrijstelling voor kansspelen en de verhouding tot Europese regelgeving zonder inhoudelijke uitspraak op de middelen.