ECLI:NL:HR:2005:AU2852

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/270HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en bewijswaardering bij niet-nakoming mondelinge bouwovereenkomst motorfiets

In deze zaak staat de ontbinding centraal van een mondelinge overeenkomst tussen partijen betreffende de bouw van een motorfiets. De verweerder had de eiser gedagvaard en ontbinding gevorderd, alsmede betaling van een bedrag wegens niet-nakoming. De rechtbank Maastricht wees de vorderingen af, maar het gerechtshof 's-Hertogenbosch verklaarde de overeenkomst ontbonden en veroordeelde de eiser tot betaling.

De discussie spitst zich toe op de bewijslevering en de bewijskracht van partijgetuigenverklaringen. Na comparitie en bewijslevering oordeelde het hof dat de ontbinding gerechtvaardigd was en stelde een bedrag vast dat de eiser aan de verweerder moest betalen, inclusief wettelijke rente en proceskosten.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de eiser en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De klachten over bewijswaardering en bewijslevering konden niet leiden tot cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontbinding van de overeenkomst met betaling van een bedrag en rente.

Uitspraak

2 december 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/270HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], handelende onder de naam R.M.S.,
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, voorwaardelijk
incidenteel verweerder,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats], België,
VERWEERDER in cassatie, voorwaardelijk
incidenteel eiser,
advocaat: mr. H.J.A. Knijff.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 31 oktober 2000 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - onder versneld regime gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht en gevorderd bij vonnis, voor zoveel rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de tussen partijen gesloten overeenkomst - voor zoveel mogelijk - ontbonden te verklaren c.q. deze te ontbinden, en
2. [eiser] te veroordelen om aan [verweerder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 27.200,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2000 althans vanaf de datum dagvaarding, en vermeerderd met een bedrag van ƒ 700,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
[Eiser] heeft de vorderingen bestreden.
Na een op 6 februari 2001 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 22 februari 2001 [verweerder] tot bewijslevering toegelaten.
Na enquête en contra-enquête heeft de rechtbank bij eindvonnis van 6 december 2001 het gevorderde afgewezen.
Tegen de vonnissen van 22 februari 2001 en 6 december 2001 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij tussenarrest van 22 april 2003 heeft het hof [eiser] tot bewijslevering toegelaten.
Het hof heeft bij eindarrest van 13 april 2004 het vonnis van de rechtbank Maastricht van 22 februari 2001 bekrachtigd, haar vonnis van 6 december 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat de tussen partijen gesloten overeenkomst is ontbonden en [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 12.660,47 (ƒ 27.900,--), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 12.342,82 (ƒ 27.200,--) vanaf 30 juni 2000 tot aan de dag van voldoening, en [eiser] in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep aan de zijde van [verweerder] veroordeeld.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat; [verweerder] heeft de zaak namens zijn advocaat doen toelichten door mrs. R.M. Hermans en G.N. Smeenk, beiden advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het principale beroep.
3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu de middelen in het principale beroep falen, komt het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep niet aan de orde.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 451,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 december 2005.