ECLI:NL:HR:2005:AU3136

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
502
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16a CSVArt. 18c lid 1 CSV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor sociale verzekeringspremies bij terbeschikkingstelling werknemers

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) stelde belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk voor premies sociale werknemersverzekeringen over de jaren 1994 tot en met 1997 betreffende werknemers die via de coöperatie B U.A. aan belanghebbende ter beschikking werden gesteld. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Alkmaar, dat werd afgewezen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de loonbetalingen die het Lisv aan de coöperatie toerekende, eigenlijk aan Poolse vennootschappen moesten worden toegerekend. De Hoge Raad oordeelde dat de Centrale Raad terecht geen zelfstandige betekenis aan deze Poolse vennootschappen had toegekend, anders dan het bestaan ervan, en dat dit oordeel geen schending van de toepasselijke wettelijke bepalingen inhoudt.

Verder werd geklaagd dat de Centrale Raad niet had ingegaan op de stelling dat een deel van de betalingen aan Poolse werknemers onkostenvergoedingen betrof, maar deze motiveringsklacht valt buiten het cassatierecht. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de hoofdelijke aansprakelijkstelling blijft in stand.

Uitspraak

Nr. 502
23 september 2005
wv
gewezen op het beroep in cassatie van Fa. X te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 september 2004, nr. 02/1219 CSV, betreffende na te melden besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) inzake de hoofdelijke aansprakelijkstelling van belanghebbende op de voet van artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV).
1. Besluit, bezwaar en geding voor de Rechtbank
Bij besluit van 7 december 1999 heeft het Lisv op de voet van artikel 16a van de CSV belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd ten aanzien van werknemers die in de jaren 1994 tot en met 1997 aan haar ter beschikking werden gesteld door de coöperatie B U.A.
Het Lisv heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing op het bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank te Alkmaar.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 10 januari 2002 het beroep ongegrond verklaard.
2. Geding voor de Centrale Raad
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.
De Centrale Raad heeft de bestreden uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
3. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: de Raad van bestuur) heeft als rechtsopvolger van het Lisv een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Raad van bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.
4. Beoordeling van de middelen
4.1. Ingevolge artikel 18c, lid 1, van de CSV (tekst tot en met 31 december 2004) kan tegen op die wet gegronde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep slechts beroep in cassatie worden ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 en de op die artikelen berustende bepalingen.
4.2. De middelen 1 en 2 strekken ten betoge dat de Centrale Raad ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling dat de loonbetalingen, welke door het Lisv zijn toegerekend aan de coöperatie B U.A., moeten worden toegerekend aan Poolse vennootschappen. In het oordeel van de Centrale Raad dat het Lisv terecht geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan de Poolse vennootschappen, anders dan dat die vennootschappen bestaan, ligt een afwijzing van die stelling besloten. Voormeld oordeel geeft geen blijk van schending of verkeerde toepassing van een van de in artikel 18c, lid 1, van de CSV opgesomde bepalingen.
4.3. Middel 3 behelst de klacht dat de Centrale Raad niet is ingegaan op de stelling van belanghebbende dat de betalingen aan Poolse werknemers voor een deel bestonden uit onkostenvergoedingen. Die klacht valt, als motiveringsklacht, buiten het bestek van artikel 18c, lid 1, van de CSV.
4.4. De middelen kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2005.