ECLI:NL:HR:2005:AU3163
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over aftrek levensonderhoud zoon partner in inkomstenbelasting
Belanghebbende, ongehuwd en samenwonend met een partner, bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 1997 een bedrag in aftrek als uitgaven voor het levensonderhoud van de zoon van zijn partner, die in Colombia verbleef en geen eigen inkomen had. De Inspecteur wees deze aftrek af en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Het Hof verklaarde belanghebbende ontvankelijk, maar wees de aftrek alsnog af omdat de zoon niet als pleegkind van belanghebbende werd beschouwd en de uitgaven niet op de partner drukten.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof artikel 46a, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 te beperkt heeft uitgelegd. Volgens de memorie van toelichting kunnen ongehuwde belastingplichtigen die van de optie van artikel 46a gebruik maken, uitgaven voor levensonderhoud van verwanten van hun partner, waaronder stiefkinderen jonger dan 27 jaar, in aanmerking nemen alsof zij die uitgaven zelf hebben gedaan.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof, behoudens de beslissing over het griffierecht, en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitleg. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van belanghebbende in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met een ruimere uitleg van artikel 46a Wet IB 1964.