ECLI:NL:HR:2005:AU3259

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/287HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid aannemer voor ongeval ingehuurde loodgieter tijdens werkzaamheden aan dak

In deze zaak stond de vraag centraal of een aannemer aansprakelijk kon worden gehouden voor een ongeval dat een door hem ingehuurde loodgieter overkwam tijdens werkzaamheden aan het dak van een woonhuis. De loodgieter was ingehuurd door een onderhouds- en installatiebedrijf dat de werkzaamheden aan het dak had aangenomen. Het ongeval vond plaats buiten de reguliere diensttijd en buiten een dienstbetrekking.

De eiser vorderde bij de rechtbank dat de verweerder aansprakelijk werd gesteld voor de door hem geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd voor de primaire vordering en verwees de zaak naar de kantonsector. De kantonrechter wees de vordering toe, welke beslissing door het gerechtshof werd bekrachtigd. Tegen dit arrest stelde de eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de aansprakelijkheid van de aannemer. Tevens werd de eiser veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aansprakelijkheid van de aannemer voor het ongeval.

Uitspraak

18 november 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/287HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. S.F. Sagel.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 24 juli 2001 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [eiser] aansprakelijk is voor de door [verweerder] ten gevolge van het ongeval op 9 maart 2001 geleden en te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met verwijzing van dit gedeelte van de procedure naar de schadestaatprocedure.
[Eiser] heeft zich beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank om van de vordering kennis te nemen, voor zover berustend op de primaire grondslag, en de vordering voor het overige bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 5 maart 2002 in het incident zich onbevoegd verklaard van de primaire vordering kennis te nemen en de zaak naar de sector kanton van deze rechtbank verwezen; de hoofdzaak heeft zij ten aanzien van de subsidiaire vordering ambtshalve naar de parkeerrol verwezen, in afwachting van een onherroepelijk vonnis voor wat betreft het primair gevorderde.
[Eiser] heeft vervolgens de primaire vordering bestreden.
na bij vonnis van 18 april 2002 een comparitie van partijen te hebben gelast, heeft de kantonrechter bij vonnis van 11 juli 2002 de vordering van [verweerder] toegewezen.
Tegen laatstgenoemd vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 28 mei 2004 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 12 september 2005 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 november 2005.