ECLI:NL:HR:2005:AU3460
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens te late indiening
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij was veroordeeld tot 47 maanden gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet.
Het cassatieberoep is ingesteld op 10 februari 2005, terwijl de verdachte op 11 januari 2005 ter terechtzitting van het hof was verschenen. Op grond van artikel 432, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte daardoor niet ontvankelijk worden verklaard in het beroep.
De verdediging voerde aan dat het verzuim om tijdig cassatieberoep in te stellen was veroorzaakt door een toegevoegde advocaat, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit geen reden is om van het niet-ontvankelijkheidsbesluit af te wijken, ook niet in het licht van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De Hoge Raad verklaarde daarom het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en handhaafde daarmee het arrest van het hof.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens te late indiening.