ECLI:NL:HR:2005:AU3475
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart OM niet-ontvankelijk wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling
In deze strafzaak oordeelde de Hoge Raad dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk is in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De zaak betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 november 1995, gewezen bij verstek, waarbij de mededeling van de uitspraak aanvankelijk onjuist aan de griffier werd betekend omdat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend was.
De verdachte stond echter vanaf 2 januari 1996 onafgebroken ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Het OM heeft tussen 15 maart 1996 en 24 september 2004 geen pogingen ondernomen om de uitspraak aan de verdachte te betekenen of hem in het opsporingsregister op te nemen. Deze periode van bijna negen jaar inactiviteit leidt tot overschrijding van de redelijke termijn.
Ten aanzien van het derde feit is het recht tot strafvordering vervallen wegens verjaring, omdat gedurende zes jaren voorafgaand aan de betekening geen vervolging is verricht. Voor de eerste en tweede feiten geldt dat de vertraging voor rekening van het OM komt. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verklaart het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
De uitspraak benadrukt dat een verdachte die bewust geen adreswijziging doorgeeft en geen voorzieningen treft om kennis te nemen van processtukken zich niet kan beroepen op schending van de redelijke termijn, maar in dit geval stond de verdachte wel ingeschreven en was het OM nalatig. Dit arrest bevestigt de noodzaak van voortvarendheid door het OM bij betekening van verstekmededelingen.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de betekening van de verstekmededeling.