ECLI:NL:HR:2005:AU3554

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41161
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 156bis lid 1 UCDWArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vermindering douanerechten na bezwaar en beroep

Belanghebbende werd bij aanslagbiljet uitgenodigd tot betaling van in totaal ƒ 735.313,90 (€ 333.670,90) aan douanerechten. Tegen deze aanslag maakte belanghebbende bezwaar, dat door de Inspecteur werd afgewezen. Belanghebbende ging vervolgens in beroep bij het Hof, dat het beroep gegrond verklaarde en de aanslag verminderde tot een bedrag van € 302.568.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de Inspecteur niet mocht volstaan met een forfaitair bedrag voor opslag- en bewaar kosten, maar dat deze op basis van passende en specifieke criteria definitief op de douanewaarde in aftrek moesten worden gebracht.

Het cassatiemiddel dat dit oordeel betwistte, werd verworpen omdat het als feitelijk oordeel niet in cassatie kan worden bestreden. Een tweede middel werd eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 41.161
30 september 2005
LC
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juli 2004, nr. 01/90233 DK, betreffende na te melden uitnodigingen tot betaling van douanerechten.
1. Uitnodigingen tot betaling, bezwaar en geding voor het Hof
Belanghebbende is bij één aanslagbiljet van 27 maart 2001 uitgenodigd tot betaling van bedragen van in totaal ƒ 735.313,90 (€ 333.670,90) aan douanerechten. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigt en de uitnodigingen tot betaling verminderd tot op in totaal een bedrag van € 302.568 aan douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel 1 bestrijdt 's Hofs oordeel dat de Inspecteur belanghebbende niet heeft toegestaan om in plaats van de werkelijke kosten van opslag en bewaring in goede staat, een daarvoor aan de hand van passende en specifieke criteria vastgesteld bedrag definitief op de douanewaarde in aftrek te brengen. Dat oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie echter niet met vrucht worden bestreden. Gegeven 's Hofs voormelde oordeel faalt reeds op die grond het in het middel vervatte betoog dat artikel 156bis, lid 1, laatste volzin, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek in de weg staat aan toepassing van de in geding zijnde correcties.
3.2. Middel 2 kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2005.