ECLI:NL:HR:2005:AU3885

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00675/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26b Wet LBArt. 68 SrArt. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen strafrechtelijke vervolging bij toepassing anoniementarief loonbelasting

In deze zaak stond centraal of het toepassen van het anoniementarief voor loonbelasting, wanneer een werkgever geen juiste opgave doet van door werknemers genoten loon, strafrechtelijk vervolgd kan worden. De verdachte stelde dat deze toepassing een strafbaar feit oplevert en dat daarmee zijn rechten onder art. 6 EVRM Pro en art. 14 IVBPR Pro werden geschonden.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het anoniementarief ex art. 26b Wet LB niet onder art. 68 Sr Pro valt en dus geen strafrechtelijke vervolging inhoudt. Het enkele feit dat een hoger tarief wordt toegepast dan bij volledige naleving van de wettelijke eisen, maakt dit niet tot een 'criminal charge'. Dit oordeel is in lijn met vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, ook wanneer persoonsgegevens van werknemers bij de werkgever en belastingdienst bekend zijn.

De middelen van cassatie van de verdachte werden verworpen zonder nadere motivering, aangezien zij geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vond geen reden om ambtshalve tot vernietiging van het bestreden arrest over te gaan en verwierp het beroep.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 22 november 2005.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; toepassing van het anoniementarief is geen strafrechtelijke vervolging.

Uitspraak

22 november 2005
Strafkamer
nr. 00675/05
EC/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 april 2004, nummer 23/004840-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M.M. Heilbron, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 22 november 2005.