ECLI:NL:HR:2005:AU3929
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding na intrekking beroep vennootschapsbelastingaanslag
Belanghebbende heeft het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem betreffende een aanslag vennootschapsbelasting ingetrokken, omdat de Staatssecretaris van Financiën aan haar bezwaar tegemoet is gekomen. Belanghebbende verzocht vervolgens om veroordeling van de Staatssecretaris in de proceskosten van het geding voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het cassatiegeding en het Gerechtshof.
De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht de vergoeding van proceskosten in beginsel moet worden vastgesteld volgens de daarin opgenomen normering. Hoewel belanghebbende betoogt dat deze normering een ongeoorloofde beperking van de toegang tot het gemeenschapsrecht vormt, oordeelt de Hoge Raad dat het enkele feit dat de vergoeding niet de werkelijk gemaakte kosten dekt, niet voldoende is om een hogere vergoeding toe te kennen.
De Hoge Raad benadrukt dat bijzondere omstandigheden die een afwijking van de normering rechtvaardigen, door belanghebbende moeten worden aangevoerd, maar dat dergelijke omstandigheden in deze zaak ontbreken. Daarom wordt de proceskostenvergoeding vastgesteld conform de normering van het Besluit. De Staatssecretaris en de Inspecteur worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan belanghebbende, waarbij de Staat als rechtspersoon wordt aangewezen voor de vergoeding.
Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris en Inspecteur tot proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.