ECLI:NL:HR:2005:AU4125
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs ziekelijke stoornis geestvermogens
De aanvrager werd door de Rechtbank Rotterdam veroordeeld wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Hij verzocht om herziening van dit vonnis op grond van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens die hem het strafbare feit zou moeten ontzeggen.
De Hoge Raad beoordeelde of de aangevoerde nieuwe omstandigheden, die niet bij het oorspronkelijke onderzoek bekend waren, het vermoeden konden wekken dat de aanvrager ten tijde van het feit al aan een dergelijke stoornis leed en dat deze stoornis in zodanig verband stond met het bewezenverklaarde feit dat hij niet strafbaar zou zijn geweest.
Uit de overgelegde stukken bleek echter niet dat de stoornis ten tijde van het feit aanwezig was of dat deze zodanig was dat de strafbaarheid zou zijn uitgesloten. De Hoge Raad concludeerde dat het verzoek tot herziening kennelijk ongegrond was en wees het af.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een ziekelijke stoornis ten tijde van het feit.