ECLI:NL:HR:2005:AU4307

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41226
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.W. van den Berge
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 Wet belastingen op milieugrondslagArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over grondwaterbelasting en retourbemaling

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag grondwaterbelasting opgelegd over de periode 1 maart 2001 tot en met 31 juli 2001, inclusief een boete. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag en verlaagde de boete. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitspraak.

De kern van het geschil betrof de vraag of het terugvloeien van water via een defecte gresbuis in de bouwput als oppervlaktewater moet worden gezien, waardoor het niet als grondwateronttrekking belast zou zijn. Het Hof oordeelde dat ook dit water als grondwateronttrekking moest worden beschouwd en wees de vrijstelling voor retourbemaling af.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onjuist heeft geoordeeld indien het teruggevloeide water als grondwater werd aangemerkt en onvoldoende heeft gemotiveerd dat het water opnieuw als grondwater werd opgepompt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage voor herbeoordeling met inachtneming van dit arrest.

De Hoge Raad gelast tevens vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende en laat de proceskostenveroordeling aan het verwijzingshof over.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van het arrest.

Uitspraak

Nr. 41.226
14 oktober 2005
FP
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 juli 2004, nr. P03/02999, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart 2001 tot en met 31 juli 2001 een naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting opgelegd ten bedrage van € 44.319, alsmede een boete van € 11.079. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 4400.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt dat minder grondwater is onttrokken dan de hoeveelheid van 271.750 m³ die de watermeters aangaven, voor het Hof onder meer aangevoerd dat als gevolg van een defect aan een gresbuis een deel van het gemeten water in de bouwput is teruggelopen, waardoor er bij de meting van het onttrokken grondwater een dubbeltelling is opgetreden.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een deel van het opgepompte water door de kapotte gresbuis is teruggevloeid in de bouwput, niet eraan afdoet dat ook dit water uiteindelijk weer is onttrokken en dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling voor retourbemaling van artikel 9, lid 2, van de Wet belastingen op milieugrondslag.
3.3. De onder b aangevoerde klacht, die zich tegen dit oordeel keert, slaagt. Voorzover het Hof bedoeld heeft te oordelen dat ook het wegpompen van teruggevloeid water dat in de bouwput is blijven staan en derhalve oppervlaktewater vormt, een onttrekking is voor de grondwaterbelasting, is het onjuist. Voorzover het Hof bij zijn oordeel ervan is uitgegaan dat het als gevolg van een defect aan een gresbuis in de bouwput teruggevloeide water weer in de bodem is gezakt, waarna het door belanghebbende opnieuw als grondwater is opgepompt, is het onvoldoende gemotiveerd.
3.4. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5. Gelet op het hiervóór in 3.3. overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, J.W. van den Berge en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2005.