Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2005:AU4787

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/326HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid beding geldleningsovereenkomst ter ontduiking overdrachtsbelasting bij woningverkoop

In deze zaak stond de nietigheid van een beding in een geldleningsovereenkomst centraal, waarbij werd gesteld dat dit beding ertoe diende een deel van de koopsom 'onder tafel' te betalen met het oogmerk overdrachtsbelasting te ontduiken.

De eiser had de verweerder gedagvaard en gevorderd tot betaling van een bedrag van ƒ 21.000,-- vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank veroordeelde de verweerder tot betaling van een bedrag van € 9.529,38 plus rente en kosten. Het hof vernietigde echter deze vonnissen en wees de vordering van eiser af, waarbij eiser in de proceskosten werd veroordeeld.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, aangezien geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het geding in cassatie, die nihil werden begroot tot aan deze uitspraak.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof waarbij de vordering is afgewezen.

Uitspraak

23 december 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/326HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. B.D.W. Martens,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 26 juni 2001 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 21.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 1996 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 4 september 2001 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 22 mei 2002 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na op 11 september 2002 gehouden getuigenverhoren heeft de rechtbank bij eindvonnis van 27 november 2002 [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 9.529,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 1996 tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser], en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen de vonnissen van 22 mei 2002 en 27 november 2002 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 13 juli 2004 heeft het hof beide bestreden vonnissen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] alsnog afgewezen en [eiser] in de proceskosten van beide instanties aan de zijde van [verweerder] veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 december 2005.