ECLI:NL:HR:2005:AU5010

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01926/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvWet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs van verplichte motorrijtuigverzekering

De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een vonnis van de Kantonrechter te Maastricht uit 2002, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor het rijden zonder verplichte motorrijtuigverzekering. De aanvrager stelde dat op het moment van het feit, 31 maart 2001, het voertuig wel degelijk verzekerd was volgens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM).

De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafvordering, dat herziening slechts toestaat bij nieuwe bewijsmiddelen die het ernstig vermoeden wekken dat het oorspronkelijke oordeel anders had moeten zijn. Uit de overgelegde stukken bleek echter onvoldoende aannemelijk dat er op het moment van het feit een geldige verzekering bestond.

Daarom concludeerde de Hoge Raad dat het verzoek tot herziening kennelijk ongegrond was en wees het af. De oorspronkelijke veroordeling tot twee weken hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden bleef daarmee in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende bewijs van een geldige motorrijtuigverzekering.

Uitspraak

11 oktober 2005
Strafkamer
nr. 01926/05 H
AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van 23 september 2002, nummer 03/400260-02, ingediend door mr. J.J.M. Goltstein, advocaat te Kerkrade, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] in 1959, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden", gepleegd op 31 maart 2001, veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, aangezien uit de aan de aanvrage gehechte bescheiden zou blijken dat op 31 maart 2001 voor het motorvoertuig met het kenteken [AA-00-BB] wel een verzekering overeenkomstig de WAM van kracht was.
3.3. Op grond van de bij de aanvrage overgelegde bewijsmiddelen is evenwel onvoldoende aannemelijk geworden dat voor het bedoelde motorvoertuig inderdaad een verzekering overeenkomstig de WAM van kracht was.
3.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 11 oktober 2005.