ECLI:NL:HR:2005:AU5010
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs van verplichte motorrijtuigverzekering
De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een vonnis van de Kantonrechter te Maastricht uit 2002, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor het rijden zonder verplichte motorrijtuigverzekering. De aanvrager stelde dat op het moment van het feit, 31 maart 2001, het voertuig wel degelijk verzekerd was volgens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM).
De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafvordering, dat herziening slechts toestaat bij nieuwe bewijsmiddelen die het ernstig vermoeden wekken dat het oorspronkelijke oordeel anders had moeten zijn. Uit de overgelegde stukken bleek echter onvoldoende aannemelijk dat er op het moment van het feit een geldige verzekering bestond.
Daarom concludeerde de Hoge Raad dat het verzoek tot herziening kennelijk ongegrond was en wees het af. De oorspronkelijke veroordeling tot twee weken hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende bewijs van een geldige motorrijtuigverzekering.