ECLI:NL:HR:2005:AU5160

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40776
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 lid 2 GemeentewetArt. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Parkeerbelasting verschuldigd bij aanvang parkeren ondanks later betalen

Belanghebbende parkeerde op 29 juni 2002 zijn voertuig in Zandvoort en stelde pas omstreeks 15.06-15.07 uur een parkeerautomaat in werking. De gemeente legde een naheffingsaanslag op wegens het niet tijdig voldoen van parkeerbelasting. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat de parkeerbelasting verschuldigd werd bij aanvang van het parkeren en dat het wisselen van geld voorafgaand aan betaling niet als daadwerkelijke betaling geldt.

Belanghebbende voerde aan dat hij had geprobeerd met een chipkaart te betalen, maar dat de chipknipfunctie defect was, waarna hij geld ging wisselen om contant te betalen. Het Hof vond dat belanghebbende dit niet aannemelijk had gemaakt en verwierp dit verweer. De Hoge Raad toetste dit oordeel niet inhoudelijk vanwege feitelijke aard en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.

De Hoge Raad bevestigt hiermee dat de verplichting tot betaling van parkeerbelasting ontstaat bij het parkeren zelf en dat het wisselen van geld voorafgaand aan betaling niet als het in werking stellen van een parkeerautomaat kan worden beschouwd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat parkeerbelasting verschuldigd is vanaf het moment van parkeren.

Uitspraak

Nr. 40.776
28 oktober 2005
Za
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Duitsland) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 januari 2004, nr. 03/00709, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 29 juni 2002 te Zandvoort een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Zandvoort opgelegd ten bedrage van € 42,80, bestaande uit € 1,80 aan belasting en € 41 aan kosten ter zake van het opleggen van die aanslag.
De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Zandvoort gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft op 29 juni 2002 een voertuig geparkeerd op een parkeerplaats aan de Boulevard Paulus Loot te Zandvoort. Nadat belanghebbende zijn auto had geparkeerd is hij geld gaan wisselen bij een strandpaviljoen, waarna hij omstreeks 15.06 uur dan wel 15.07 uur een parkeerautomaat in werking heeft gesteld. Om 15.07 uur is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd.
3.2. Voor het Hof was in geschil of aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag is opgelegd.
3.3. Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat hij heeft geprobeerd met een chipkaart te betalen bij een parkeerautomaat in de buurt van zijn auto en dat hij, toen dat niet lukte, geld is gaan wisselen bij een strandpaviljoen teneinde de parkeerbelasting contant te voldoen.
3.4. Het Hof heeft geoordeeld (onderdeel 5.1) dat belanghebbende, gelet op het verweer van de heffingsambtenaar, aannemelijk diende te maken dat de chipknipfunctie van de parkeerautomaat defect was, en dat hij daarin niet is geslaagd. Eerstbedoeld oordeel geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent stelplicht of bewijslastverdeling en het bewijsoordeel kan, als van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Klacht 1 faalt derhalve.
3.5. Dit brengt mee dat ook de klachten 2 en 3 falen, voorzover zij tot uitgangspunt nemen dat belanghebbende geld heeft moeten wisselen omdat de chipknipfunctie van de parkeerautomaat defect was.
3.6. Het Hof heeft voorts (in de onderdelen 5.3 - 5.5) allereerst vastgesteld - hetgeen in cassatie niet is bestreden - dat belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd en geld is gaan wisselen enige tijd vóór 15.06 uur. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat met dit parkeren parkeerbelasting verschuldigd is geworden en wel bij de aanvang van dat parkeren, en dat belanghebbende vóór het tijdstip waarop door hem een parkeerautomaat in werking werd gesteld, niet uitsluitend betalingshandelingen heeft verricht. Daarvan uitgaande heeft het Hof geconcludeerd dat in zoverre sprake is van het gedeeltelijk niet betalen van belasting als bedoeld in artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zodat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het Hof heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd zijn oordeel dat het wisselen van enig betaalmiddel teneinde parkeerbelasting te voldoen niet een handeling is waarmee aan het voldoen van parkeerbelasting uitvoering wordt gegeven.
Tegen laatstgenoemd oordeel komen de klachten 2 en 3, ook voorzover niet reeds hiervoor onder 3.5 besproken, tevergeefs op. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat het wisselen van enig betaalmiddel teneinde parkeerbelasting te voldoen niet een handeling is waarmee uitvoering wordt gegeven aan "het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat" zoals bedoeld in artikel 234, lid 2, aanhef en letter a, van de Gemeentewet.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2005.