ECLI:NL:HR:2005:AU5435
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vordering immateriële schade benadeelde partij niet-ontvankelijk wegens ontbreken psychiatrisch ziektebeeld
In deze strafzaak heeft de moeder van het slachtoffer zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van materiële en immateriële schade. Het hof kende een bedrag toe voor zowel materiële als immateriële schade, maar de verdachte betwistte de hoogte van de immateriële schadevergoeding.
De Hoge Raad oordeelde dat voor toewijzing van immateriële schadevergoeding in een dergelijk geval vereist is dat in rechte wordt vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dit was niet gebeurd en een nader feitelijk onderzoek zou noodzakelijk zijn geweest. Daarom verklaarde de Hoge Raad de vordering tot immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk omdat deze niet van eenvoudige aard is en zich niet leent voor behandeling in het strafgeding.
Daarnaast werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van achttien jaar naar zeventien jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad nam deze beslissing zelf omwille van de doelmatigheid en verwierp het beroep voor het overige.
De zaak betreft een complexe strafzaak met meerdere tenlastegelegde feiten waaronder doodslag en afpersing, waarbij de Hoge Raad zich specifiek boog over de civiele vordering van de benadeelde partij binnen het strafproces. De uitspraak benadrukt het belang van een gedegen psychiatrisch onderzoek bij immateriële schadeclaims in strafzaken.
Uitkomst: De immateriële schadevordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard en de gevangenisstraf verminderd tot zeventien jaar en tien maanden.