ECLI:NL:HR:2005:AU5469
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanhoudingsverzoek verdachte wegens niet tijdig verschijnen in hoger beroep
In deze strafzaak ging het om een hoger beroep tegen een veroordeling wegens overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Tijdens de zitting op 10 november 2004 meldde verdachte telefonisch dat hij ergens in Den Haag in het verkeer was opgehouden, maar kon hij niet aangeven waar. Het hof interpreteerde dit als een verzoek tot aanhouding van de behandeling en schorste het onderzoek voor vijf kwartier om verdachte alsnog te laten verschijnen.
Na deze schorsing verscheen verdachte niet en nam hij ook geen contact meer op met het hof. Het hof wees daarop het verzoek tot verdere aanhouding af, omdat verdachte redelijkerwijs binnen de gegeven tijd had kunnen verschijnen. Het hof oordeelde dat de verkeersbelemmeringen die dag, veroorzaakt door een politieactie, niet zonder meer konden rechtvaardigen dat verdachte niet op tijd kon zijn.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van verdachte. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en oordeelde dat het verzoek tot aanhouding terecht was afgewezen. Ook het beroep op de verkeerssituatie werd onvoldoende geacht om het niet verschijnen te rechtvaardigen. Daarmee bleef de veroordeling en de straf van drie weken gevangenisstraf met ontzegging van de rijbevoegdheid van twaalf maanden in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.