ECLI:NL:HR:2005:AU6019
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Inkomsten uit arbeid vallen niet onder rechten die niet op zaken betrekking hebben volgens artikel 38 lid 7 Wet IB 1964
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 30.636. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde of inkomsten uit arbeid kunnen worden gerekend tot de rechten die niet op zaken betrekking hebben zoals bedoeld in artikel 38, lid 7, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof had geoordeeld dat dit niet het geval is, en de Hoge Raad bevestigde dit oordeel.
De Hoge Raad verwierp het middel dat een andere uitleg van artikel 38, lid 7, Wet IB 1964 voorstond en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 11 november 2005.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.