ECLI:NL:HR:2005:AU6023

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40911
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 81 Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling tijdige ter post bezorging beroepschrift in belastingzaak

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Tegen de aanslag werd bezwaar gemaakt, dat door de Inspecteur niet-ontvankelijk werd verklaard. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de beroepstermijn. Belanghebbende deed verzet tegen deze uitspraak, maar het Hof verklaarde het verzet ongegrond.

In cassatie stelt belanghebbende dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd, maar deze stelling werd niet eerder aan het Hof voorgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ambtshalve mocht beoordelen dat het poststempel bepalend was voor de termijn en dat er geen reden was om aan te nemen dat het beroepschrift tijdig was verzonden. De nieuwe stelling van belanghebbende dat het beroepschrift persoonlijk in de brievenbus is gedeponeerd kan in cassatie niet worden onderzocht.

De overige klachten van belanghebbende worden verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het Hof heeft terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

Nr. 40.911
11 november 2005
ME
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 maart 2004, nr. 03/03629, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van het Hof betreffende het beroep van belanghebbende inzake de hem voor het jaar 1997 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.
De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft bij uitspraak van 26 januari 2004 wegens overschrijding van de beroepstermijn het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan.
Bij zijn in cassatie bestreden uitspraak heeft het Hof het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. De klacht dat het Hof in de verzetprocedure belanghebbende de gelegenheid had moeten bieden aan te tonen dat het beroepschrift tijdig ter post was bezorgd, faalt, reeds omdat uit 's Hofs uitspraken of de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende dienaangaande voor het Hof enig feit heeft gesteld. Het oordeel van het Hof dat er, gelet op het poststempel, geen reden is om aan te nemen dat het beroepschrift binnen de termijn van zes weken ter post is bezorgd, is dan ook niet een bewijsoordeel omtrent een geschilpunt tussen partijen, maar is een beoordeling ambtshalve of uit de stukken van het geding reeds blijkt van tijdige terpostbezorging. De klacht dat het Hof daarbij ten onrechte ervan is uitgegaan dat de datum van het poststempel bepalend is voor de vraag of het bezwaar (bedoeld zal zijn: beroep) tijdig is ingediend, kan niet tot cassatie leiden, omdat zij berust op een onjuiste lezing van 's Hofs uitspraak.
3.2. Belanghebbende heeft in cassatie wél - zoals uit het hiervoor overwogene volgt: voor het eerst - de stelling ingenomen dat het beroepschrift op de laatste dag van de beroepstermijn door de gemachtigde persoonlijk in de brievenbus is gedeponeerd. Daarop kan echter geen acht worden geslagen omdat die stelling een onderzoek zou vergen van feitelijke aard, waarvoor in cassatie geen plaats is.
3.3. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2005.