ECLI:NL:HR:2005:AU6081

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03598/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 440 SvArt. 365a SvAlgemene Bijstandswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging veroordeling valsheid in geschrift wegens ondeugdelijke motivering bezit motorvoertuigen

Verdachte, met een bijstandsuitkering, vulde meerdere formulieren onjuist in door te ontkennen dat hij motorvoertuigen bezat die op zijn naam stonden. Het hof verwierp het verweer dat hij deze voertuigen niet daadwerkelijk bezat en veroordeelde hem voor valsheid in geschrift. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het aannam dat verdachte daadwerkelijk bezit had van de voertuigen, terwijl het verweer juist daarop was gericht.

Het hof stelde dat het bezit van het kentekenbewijs meestal ook bezit van de auto impliceert in de zin van de Algemene Bijstandswet, maar deze redenering volstond niet als gemotiveerde beslissing. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.

De zaak betreft valsheid in geschrift gepleegd tussen 1999 en 2002, waarbij verdachte bewust onjuiste opgaven deed op formulieren voor bijstandsuitkering met het oogmerk misleiding. Het hof had verdachte veroordeeld tot een taakstraf, maar de Hoge Raad achtte de motivering van het bezit van de voertuigen onvoldoende onderbouwd.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens ondeugdelijke motivering omtrent bezit motorvoertuigen; zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

20 december 2005
Strafkamer
nr. 03598/04
SG/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 juni 2004, nummer 20/001809-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - behalve ten aanzien van de bewijsvoering en de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Maastricht van 21 maart 2003, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd". Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uur subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro berustende beslissing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer dat de verdachte geen opgave heeft gedaan van auto's en motoren die op zijn naam stonden, omdat hij aannam en ook mocht aannemen dat hij geen bezitter was van die auto's en motoren.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
"hij in de periode van 1 november 1999 tot en met 27 augustus 2002 in de gemeente Brunssum, meer-malen, een hem ter uitvoering van de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet gegeven voorschriften toegezonden of uitgereikt formulier met het opschrift "Aanvraagformulier bijstand" en "Rechtmatigheidsonderzoek Abw" en "Formulier periodiek heronderzoek" en "Formulier rechtmatigheidsonderzoek Abw", zijnde dit formulier een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande, dat hij, verdachte, in de periode waarop dat formulier betrekking had, valselijk niet op dat formulier - zakelijk weergegeven - alle auto's en motoren die hij in bezit had heeft opgegeven en dat formulier voor waar heeft ondertekend, een en ander telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken."
3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman van verdachte heeft namens verdachte ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat verdachte steeds op het "Aanvraagformulier bijstand" en het formulier "periodiek heronderzoek" en het formulier "Rechtmatigheidsonderzoek Abw" van de gemeente geen opgave van alle auto's en motoren die op zijn naam stonden heeft gedaan, aangezien hij aannam en ook mocht aannemen dat hij geen bezitter was van die auto's en motoren. Verdachte heeft daartoe aangevoerd dat hij weliswaar de autobelasting en de verzekering van de auto's en motoren betaald heeft, maar dat hij deze gelden steeds terug kreeg van [betrokkene 1] en de broer van verdachte, aangezien dezen volgens verdachte als de daadwerkelijke bezitters van de motorvoertuigen zijn aan te merken.
De raadsman is mitsdien van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken op de grond dat verdachte niet het oogmerk tot misleiding heeft gehad.
Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.
Op 14 augustus 2002 werd aan verdachte door verbalisanten in het kader van een periodieke controle gevraagd wat het -op het rekeningafschrift van verdachte te lezen- afgeschreven geldbedrag aan [A] inhield. Bij de beantwoording van deze vraag aarzelde de verdachte in eerste instantie om antwoord te geven en verklaarde verdachte in tweede instantie dat de betaling op het bankafschrift van verdachte een rechtsbijstandsverzekering betrof. In tegenstelling tot hetgeen verdachte heeft verklaard, bleek dat verdachte een aantal verzekeringen voor een aantal auto's en motoren die op zijn naam stonden, betaalde. Het hof over-weegt dat, blijkens de aarzelende verklaring die verdachte in verband met de betaling bezigde, verdachte wist dat zijn handelwijze in deze niet in de haak was.
Het hof constateert dat onder de open vraag: "Ik bezit een auto" of "Ik bezit een motor" -welke door verdachte steeds ten onrechte met "nee" werd beantwoord- staat te lezen dat bij bezit van auto of motor, de betrokkene het kentekenbewijs van die auto of motor mee diende te nemen. Verdachte moet derhalve hebben geweten, dat wanneer iemand een kentekenbewijs van een auto heeft, dit betekent dat men dan meestal ook het "bezit" van die auto heeft, in de zin van de Algemene Bijstandswet.
Verdachte moet zich door bovengenoemde feiten en omstandigheden van de onjuistheid van zijn antwoorden bewust zijn geweest en hij moet zich voorts bewust zijn geweest van het feit dat hij door deze handelwijze het toetsingsorgaan de mogelijkheid ontnam te toetsen in hoeverre het bezit van de auto's en motoren van belang was voor de bepaling van het recht op en de hoogte van de uitkering.
Op grond van het vorenstaande acht het hof het ten laste gelegde oogmerk bewezen."
3.4. Het verweer strekte er mede toe dat geen sprake was van valse opgaven zoals was tenlastegelegd, omdat de ver-dachte de desbetreffende motorvoertuigen indertijd niet in zijn bezit had. Die aangevoerde omstandigheid strijdt met de bewezenverklaring en wordt niet weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Het Hof was dus gehouden op dat verweer een gemotiveerde beslissing te geven. 's Hofs hiervoor onder 3.3 weergeven motivering van de verwerping van het verweer is echter ondeugdelijk. Die motivering houdt immers niet in dat en waarom het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte de motorvoertuigen, waarvan het kentekenbewijs op zijn naam stond, ook in zijn bezit had. De door het Hof - overigens in een ander verband - genoemde omstandigheid dat wanneer een kentekenbewijs op iemands naam staat deze "meestal ook het bezit van die auto heeft in de zin van de Algemene Bijstandswet", doet in het licht van het gevoerde verweer aan een en ander niet af.
3.5. Voorzover het middel daarover beoogt te klagen is het terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 december 2005.