ECLI:NL:HR:2005:AU6452

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40016
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 3 Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990Verordening 1408/71Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over toerekening arbeidskostenforfait bij premieheffing volksverzekeringen

Belanghebbende, woonachtig in Nederland, werkte in 1999 deels in België en deels in Nederland. Voor de premieheffing volksverzekeringen werd een discussie gevoerd over de juiste toerekening van het arbeidskostenforfait bij de berekening van het premie-inkomen.

Het hof had geoordeeld dat het arbeidskostenforfait volledig aan de Nederlandse arbeidsinkomsten moest worden toegerekend, waardoor het premie-inkomen hoger uitviel. De Hoge Raad oordeelt echter dat het forfait naar rato van de Belgische en Nederlandse arbeidsinkomsten moet worden toegerekend, conform artikel 4, lid 3, van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen en de Verordening 1408/71.

De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond, waarmee de aanslag op het premie-inkomen wordt verminderd. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van internationale sociale zekerheidsregels bij grensoverschrijdende arbeidsrelaties.

Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof vernietigd.

Uitspraak

Nr. 40.016
18 november 2005
wv
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 juni 2003, nr. 01/01077, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 137.028, waarbij de belastbare som voor de premie volksverzekeringen is vastgesteld op ƒ 11.919. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag wat betreft de premieheffing verminderd tot een naar een premie-inkomen van ƒ 26.627. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar (1999) woonachtig in Nederland en werkte van 1 januari tot en met 30 september bij A N.V. in België en van 1 oktober tot en met 31 december bij B B.V. in Nederland. Tot en met 30 september 1999 was belanghebbende op grond van artikel 13, lid 2, aanhef en letter a, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening) onderworpen aan Belgische premieheffing. Vanaf 1 oktober 1999 is belanghebbende in Nederland premieplichtig voor de volksverzekeringen.
3.2. Voor het Hof was in geschil of bij de berekening van het Nederlandse premie-inkomen het maximumbedrag van het arbeidskostenforfait volledig dient te worden toegerekend aan de Nederlandse arbeidsinkomsten, dan wel naar rato van de Belgische en Nederlandse arbeidsinkomsten. Het Hof heeft belanghebbende gevolgd in zijn standpunt dat bij de berekening van het premie-inkomen het arbeidskostenforfait volledig moet worden toegerekend aan de Nederlandse arbeidsinkomsten. Het middel, dat zich tegen dat oordeel richt, slaagt.
3.3. Artikel 4, lid 3, van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen (tekst 1999; hierna: Uitvoeringsregeling premieheffing) luidt: "In afwijking in zoverre van de vorige leden wordt als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het belastbare inkomen dan wel het belastbare binnenlandse inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, verminderd met het gedeelte daarvan dat al dan niet ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van een andere mogendheid inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden."
Deze bepaling moet aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde vermindering betrekking heeft op het zuivere inkomensbedrag. Derhalve dient in het onderhavige geval het op de voet van artikel 4, lid 3, van de Uitvoeringsregeling premieheffing in mindering te brengen bedrag te worden gesteld op het Belgische arbeidsinkomen minus een evenredig gedeelte van het mede op het Belgische arbeidsinkomen betrekking hebbende maximumbedrag van het arbeidskostenforfait. Deze uitlegging leidt, anders dan het Hof heeft overwogen, er niet toe dat Nederland in dit geval (voor een deel) premie heft over inkomsten afkomstig uit België. Artikel 4, lid 3, van de Uitvoeringsregeling premieheffing komt derhalve niet in strijd met de Verordening.
3.4. Uit het hiervoor onder 3.3 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2005.