ECLI:NL:HR:2005:AU6905
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Beoordeling investeringsaftrek bij overgang onderneming en gebroken boekjaar
Belanghebbende, opgericht in maart 1997, exploiteerde een aannemingsbedrijf dat voorheen als vennootschap onder firma werd uitgeoefend. De vennoten brachten hun aandelen in bij oprichting van de B.V. Het resultaat van de Vof over de periode vóór oprichting werd aan belanghebbende toegerekend.
Er werd in totaal voor ruim ƒ 1 miljoen geïnvesteerd, verdeeld over drie periodes: 1996, begin 1997 en na oprichting in 1997. Belanghebbende claimde investeringsaftrek over deze investeringen, waarbij zij uitging van drie boekjaren. De Inspecteur en het Hof wezen dit af, omdat de investeringsaftrek volgens hen niet aan belanghebbende toekwam voor de periode vóór oprichting en omdat de investeringsaftrek niet over drie boekjaren kon worden verdeeld.
De Hoge Raad bevestigde dat de investeringen in de voorperiode aan belanghebbende kunnen worden toegerekend, omdat de vennoten het resultaat aan haar hadden toegerekend en zij de investeringsverplichtingen heeft overgenomen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat bij een gebroken boekjaar de investeringsaftrek gekoppeld is aan het boekjaar en niet kan worden gesplitst in meerdere perioden. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; investeringsaftrek kan niet over drie boekjaren worden verdeeld maar wordt berekend over het boekjaar.