ECLI:NL:HR:2005:AU6905

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41399
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 23d Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling investeringsaftrek bij overgang onderneming en gebroken boekjaar

Belanghebbende, opgericht in maart 1997, exploiteerde een aannemingsbedrijf dat voorheen als vennootschap onder firma werd uitgeoefend. De vennoten brachten hun aandelen in bij oprichting van de B.V. Het resultaat van de Vof over de periode vóór oprichting werd aan belanghebbende toegerekend.

Er werd in totaal voor ruim ƒ 1 miljoen geïnvesteerd, verdeeld over drie periodes: 1996, begin 1997 en na oprichting in 1997. Belanghebbende claimde investeringsaftrek over deze investeringen, waarbij zij uitging van drie boekjaren. De Inspecteur en het Hof wezen dit af, omdat de investeringsaftrek volgens hen niet aan belanghebbende toekwam voor de periode vóór oprichting en omdat de investeringsaftrek niet over drie boekjaren kon worden verdeeld.

De Hoge Raad bevestigde dat de investeringen in de voorperiode aan belanghebbende kunnen worden toegerekend, omdat de vennoten het resultaat aan haar hadden toegerekend en zij de investeringsverplichtingen heeft overgenomen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat bij een gebroken boekjaar de investeringsaftrek gekoppeld is aan het boekjaar en niet kan worden gesplitst in meerdere perioden. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; investeringsaftrek kan niet over drie boekjaren worden verdeeld maar wordt berekend over het boekjaar.

Uitspraak

Nr. 41.399
25 november 2005
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 juni 2004, nr. 02/04549, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 536.694, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is opgericht op 26 maart 1997. Haar bedrijf bestaat uit de exploitatie van een aannemingsbedrijf in de grond-, weg- en waterbouw. Belanghebbendes bedrijf werd voorheen uitgeoefend in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de Vof). Bij de oprichting van belanghebbende hebben de drie firmanten van de Vof ieder hun aandeel in de Vof ingebracht tegen uitreiking van aandelen. Het eerste boekjaar van belanghebbende loopt van 26 maart 1997 tot en met 31 december 1997. Op grond van de voorovereenkomst is het resultaat van de Vof over de periode 1 januari 1996 tot en met 25 maart 1997 toegerekend aan belanghebbende. In de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997 is door achtereenvolgens de Vof en belanghebbende voor een totaalbedrag van ƒ 1.016.751 geïnvesteerd. Hiervan is een bedrag van ƒ 648.598 geïnvesteerd in de periode 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996, een bedrag van ƒ 368.153 is geïnvesteerd in de periode van 1 januari 1997 tot en met 25 maart 1997 en een bedrag van ƒ 82.510 is geïnvesteerd in de periode van 26 maart 1997 tot en met 31 december 1997. Belanghebbende heeft ter zake van deze investeringen een investeringsaftrek geclaimd van ƒ 187.692. Bij de berekening van de investeringsaftrek is belanghebbende uitgegaan van drie boekjaren, te weten: 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996, 1 januari 1997 tot en met 25 maart 1997 en 26 maart 1997 tot en met 31 december 1997. Met betrekking tot de eerste twee boekjaren is belanghebbende uitgegaan van de investeringsaftrek waarop de vennoten aanspraak hadden kunnen maken.
3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende aanspraak kan maken op investeringsaftrek van ƒ 187.692. Het Hof heeft de Inspecteur gevolgd in diens opvatting dat belanghebbende in verband met de grootte van het totale bedrag aan investeringen geen aanspraak kan maken op investeringsaftrek.
3.3. Middel 1 is gericht tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbendes standpunt dat wat betreft de vóór 26 maart 1997 gedane investeringen moet worden uitgegaan van de investeringsaftrek waarop de vennoten aanspraak kunnen maken, geen steun vindt in het recht.
Het middel faalt. Nu vaststaat dat de oprichters van belanghebbende zijn overeengekomen dat het resultaat van de Vof over de periode 1 januari 1996 tot en met 25 maart 1997 aan belanghebbende moet worden toegerekend en belanghebbende bij haar oprichting kennelijk daarmee heeft ingestemd, moet tevens worden aangenomen dat belanghebbende de in de voorperiode verrichte investeringshandelingen voor haar rekening heeft genomen. Voor het onderhavige geval brengt zulks mee dat voor de toepassing van artikel 11 van Pro de Wet op inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) wordt aangenomen dat belanghebbende de onderwerpelijke investeringsverplichtingen destijds zelf is aangegaan. Mitsdien dient met betrekking tot de investeringen die zijn gedaan in de voorperiode te worden uitgegaan van de investeringsaftrek waarop belanghebbende aanspraak had kunnen maken indien zij ten tijde van het aangaan van de investeringsverplichtingen reeds tot stand was gekomen.
3.4. Belanghebbendes standpunt dat er drie boekjaren kunnen worden onderscheiden, is door het Hof eveneens verworpen. Hiertegen richt zich middel 2.
Dit middel faalt evenzeer. De Memorie van toelichting vermeldt met betrekking tot artikel 11 van Pro de Wet onder meer:
"De investeringsaftrek is, evenals de bestaande KST, gekoppeld aan het bedrag van de kalenderjaarinvesteringen. Bij een onderneming met een boekjaar dat niet gelijk loopt met het kalenderjaar (zogenaamd gebroken boekjaar) is de investeringsaftrek gekoppeld aan het bedrag van de jaarinvesteringen van het boekjaar. Dit laatste volgt uit artikel 20, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarin is geregeld dat in zo'n situatie de winst moet worden bepaald over het boekjaar " (Kamerstukken II 1989-1990, 21343, nr. 3, blz. 6-7).
Zulks geldt ongeacht of een gebroken boekjaar een tijdvak van twaalf maanden omvat, dan wel een langer of een korter tijdvak. In overeenstemming hiermee dienen in een geval als het onderhavige, waarin de winst van de onderneming mede de resultaten omvat van een buiten het boekjaar gelegen periode, de in die periode verrichte investeringen voor de toepassing van artikel 11 van Pro de Wet te worden aangemerkt als in dat boekjaar te zijn verricht (vgl. HR 11 januari 1989, nr. 25604, BNB 1989/128).
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2005.