ECLI:NL:HR:2005:AU7498
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding beroepstermijn in BOPZ-zaak
In deze zaak diende verzoeker een cassatieberoep in tegen een beschikking van de rechtbank Zwolle die een voorlopige machtiging verleende tot voortduren van zijn verblijf in een GGZ-instelling. De rechtbank had de machtiging verleend op grond van een geneeskundige verklaring en na het horen van verzoeker en de behandelend arts.
Het cassatieberoep werd per fax ingediend op 12 oktober 2005, met het originele verzoekschrift op 14 oktober 2005, terwijl de beroepstermijn volgens art. 426 lid 1 Rv Pro op 7 oktober 2005 was verstreken. De Advocaat-Generaal adviseerde de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat het beroep te laat was ingesteld en verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk. De beschikking werd gegeven door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 23 december 2005.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.