ECLI:NL:HR:2005:AU7498

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/134HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding beroepstermijn in BOPZ-zaak

In deze zaak diende verzoeker een cassatieberoep in tegen een beschikking van de rechtbank Zwolle die een voorlopige machtiging verleende tot voortduren van zijn verblijf in een GGZ-instelling. De rechtbank had de machtiging verleend op grond van een geneeskundige verklaring en na het horen van verzoeker en de behandelend arts.

Het cassatieberoep werd per fax ingediend op 12 oktober 2005, met het originele verzoekschrift op 14 oktober 2005, terwijl de beroepstermijn volgens art. 426 lid 1 Rv Pro op 7 oktober 2005 was verstreken. De Advocaat-Generaal adviseerde de niet-ontvankelijkheid van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat het beroep te laat was ingesteld en verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk. De beschikking werd gegeven door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer op 23 december 2005.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

23 december 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/134HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Officier van Justitie in het arrondissement Zwolle heeft op 30 juni 2005 onder overlegging van een geneeskundige verklaring als bedoeld in de wet BOPZ een verzoek ingediend bij de rechtbank te Zwolle tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf van verzoeker tot cassatie in de G.G.Z. Drenthe, locatie Assen.
Nadat de rechtbank verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, en de behandelend arts had gehoord, heeft zij bij beschikking van 7 juli 2005 de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden, uiterlijk tot 7 januari 2006.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Bij verzoekschrift, per fax ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 12 oktober 2005, op 14 oktober 2005 gevolgd door het originele verzoekschrift met begeleidend schrijven, is namens verzoeker cassatieberoep ingesteld. Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Ingevolge art. 426 lid 1 Rv Pro. kan tegen beschikkingen op rekest beroep in cassatie worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De cassatietermijn in het onderhavige geval verstreek op 7 oktober 2005, zodat het cassatieberoep te laat is ingesteld. Verzoeker zal derhalve in zijn verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 december 2005.