ECLI:NL:HR:2005:AU7730

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41640
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 AwbArt. 27d AWRArt. 12a Wet op de loonbelasting 1964
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op aanvulling mondelinge uitspraak door schriftelijke bij belastingaanslag

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 174.921, welke na bezwaar werd gehandhaafd door de Inspecteur. Vervolgens werd de aanslag ambtshalve verminderd tot ƒ 162.021. Belanghebbende ging in beroep bij het hof, dat het beroep gegrond verklaarde en de aanslag handhaafde zoals verminderd.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof bij de mondelinge uitspraak het standpunt innam dat het salaris van belanghebbende volledig rechtvaardigde het gebruikelijk loon, maar dat het hof in de schriftelijke uitspraak deze motivering wezenlijk wijzigde zonder daartoe bevoegd te zijn. Dit is in strijd met het verbod op aanvulling van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof, behoudens de beslissingen over griffierecht en proceskosten, en verwees de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor een volledige herbehandeling. Tevens werden de kosten van het cassatieproces aan de Staat opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onrechtmatige aanvulling van de mondelinge uitspraak en verwijst de zaak voor volledige herbehandeling.

Uitspraak

Nr. 41.640
9 december 2005
RW
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 3 januari 2005, nr. 01/02842, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 174.921, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Bij ambtshalve gegeven beschikking van de Inspecteur is nadien de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 162.021.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd zoals deze ambtshalve door de Inspecteur is verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. R. Moszkowicz, advocaat te Nieuwegein.
3. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
3.1. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of de Inspecteur het aangegeven belastbare inkomen terecht heeft verhoogd met een bedrag van ƒ 84.000 als gebruikelijk loon van B B.V. op de voet van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964.
3.2. Het Hof heeft de Inspecteur in het gelijk gesteld. Het heeft daartoe onder meer redengevend geoordeeld dat het aannemelijk acht, dat het salaris dat belanghebbende van A B.V. heeft genoten volledig staat tegenover de voor die B.V. verrichte werkzaamheden. Bij zijn eerder in het geding gedane mondelinge uitspraak was het Hof tot dezelfde slotsom gekomen, evenwel blijkens het proces-verbaal van die mondelinge uitspraak zonder voormelde motivering te bezigen. Aldus heeft het Hof bij de schriftelijke uitspraak zijn bij de mondelinge uitspraak gegeven motivering wezenlijk gewijzigd, waartoe het Hof niet de vrijheid had.
3.3. Het hiervoor in 3.2 overwogene brengt mee dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwde behandeling van de zaak in volle omvang.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te
's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2005.