ECLI:NL:HR:2005:AU8904

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00480/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 366 SvArt. 435 SvArt. 588 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin de verdachte werd veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk niet voldoen aan een wettige oproeping voor vervangende dienst.

De kern van het geschil is de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verstekmededeling van het arrest van 17 juni 1998 werd pas op 11 september 2000 rechtsgeldig betekend, bijna twee jaar en drie maanden later. Deze vertraging is voor rekening van het Openbaar Ministerie, terwijl de vertraging na de betekening voor rekening van de verdachte komt.

De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit leidt tot strafvermindering. De straf wordt verminderd van vijf maanden tot vier maanden gevangenisstraf. Het beroep wordt verder verworpen en het arrest wordt in zoverre vernietigd.

De uitspraak bevestigt het belang van tijdige betekening van verstekmededelingen en de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijf maanden tot vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

7 februari 2006
Strafkamer
nr. 00480/05
PB/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 juni 1998, nummer 22/002753-97, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 26 juni 1997 - de verdachte ter zake van "opzettelijk niet voldoen aan een wettige oproeping tot het vervullen van vervangende dienst" veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en tot vermindering van die straf.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden in de fase tussen de bij verstek gewezen uitspraak in hoger beroep en het tijdstip waarop deze uitspraak ter kennis van de verdachte is gebracht.
3.2. De stukken van het geding houden, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) het bestreden, bij verstek gewezen, arrest dateert van 17 juni 1998;
(ii) op 11 september 2000 is de mededeling uitspraak betekend aan de griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage omdat "blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van de woongemeente van de geadresseerde, deze op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven" en op diezelfde dag is de mededeling als gewone brief verzonden aan het op de akte vermelde adres van geadresseerde;
(iii) op 23 september 2004 is de mededeling uitspraak aan de verdachte in persoon uitgereikt.
3.3. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv Pro een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.
3.4. Bij het onderzoek naar de naleving van art. 435, eerste lid, Sv heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de hiervoor onder 3.2 sub (ii) bedoelde betekening rechtsgeldig is geschied op de voet van art 588, derde lid, (oud) Sv.
3.5. Nu de verstekmededeling niet binnen een jaar na het bestreden arrest, doch eerst na bijna twee jaar en drie maanden nadat dat arrest is gewezen, is betekend, komt een periode van bijna een jaar en drie maanden voor rekening van het Openbaar Ministerie. De na die rechtsgeldige betekening opgetreden vertraging komt echter voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van die uitspraak (vgl HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov 3.19).
3.6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangenomen dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de fase na de bij verstek gewezen uitspraak in hoger beroep is overschreden. Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert deze in die zin dat deze vier maanden beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 februari 2006.