ECLI:NL:HR:2006:AU3721
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek derden tegen afwikkeling samenhangende faillissementen en rechter-commissaris als onafhankelijk tribunaal
In deze zaak hebben verzoekers tot cassatie, waaronder een aandeelhouder en een schuldeiser, zich gericht tegen een door curatoren gesloten vaststellingsovereenkomst over de afwikkeling van drie samenhangende faillissementen. Zij verzochten de rechter-commissaris om de curatoren te verbieden de overeenkomst uit te voeren. De rechter-commissaris verklaarde verzoekers grotendeels niet-ontvankelijk en wees het verzoek af.
Verzoekers stelden onder meer dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden doordat zij niet mochten reageren op het standpunt van de curatoren, en dat de rechter-commissaris niet als een onafhankelijk tribunaal kon worden beschouwd in de zin van artikel 6 EVRM Pro vanwege eerdere betrokkenheid bij de faillissementen.
De Hoge Raad oordeelde dat het beginsel van hoor en wederhoor niet vereist dat verzoekers een nadere reactie konden geven op het standpunt van de curatoren, gelet op de procedurele aard van art. 65 FbNA Pro. Tevens verwierp de Hoge Raad de klacht over de onpartijdigheid van de rechter-commissaris, aangezien eerdere betrokkenheid niet automatisch partijdigheid impliceert en bovendien een andere rechter-commissaris de beschikking had genomen.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beschikking van de rechter-commissaris stand hield en de afwikkeling van de faillissementen volgens de vaststellingsovereenkomst kon doorgaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de beschikking van de rechter-commissaris.