ECLI:NL:HR:2006:AU4618
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- E.J. Numann
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onderscheidend vermogen woordcombinatie BIOMILD in merkenrecht
In deze zaak stond de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het merk BIOMILD centraal, een woordcombinatie gevormd uit beschrijvende elementen. Campina stelde cassatieberoep in tegen het besluit van het Benelux-Merkenbureau (BMB) tot weigering van inschrijving van dit merk. De Hoge Raad verwees eerst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 19 juni 1998 en het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 26 juni 2000, waarin de uitleg van het merkenrecht en de toepasselijke procesregels werden vastgesteld.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) had in een arrest van 12 februari 2004 geoordeeld dat een merk dat bestaat uit een combinatie van beschrijvende bestanddelen zelf ook beschrijvend is, tenzij er sprake is van een opvallende afwijking die het merk meer maakt dan de som der delen. Het Benelux-Gerechtshof had dit arrest bevestigd en toegepast op de zaak BIOMILD.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat BIOMILD geen onderscheidend vermogen bezit omdat het merk niet creatief of origineel is en geen opvallende afwijking vertoont ten opzichte van de som van de bestanddelen. Daarnaast verwierp de Hoge Raad de klacht dat synoniemen van de bestanddelen meegewogen hadden moeten worden, omdat het HvJEG had bepaald dat dit irrelevant is. Ook het verweer dat inschrijving derden zou verhinderen om de woordcombinatie anders te gebruiken faalde.
Ten slotte bevestigde de Hoge Raad dat bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen alleen het gebruik vóór het depot in aanmerking mag worden genomen. Het cassatieberoep werd verworpen en Campina werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Campina wordt verworpen en het merk BIOMILD wordt geweigerd wegens gebrek aan onderscheidend vermogen.