ECLI:NL:HR:2006:AU5183
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling werktuigenvrijstelling bij waardering elektriciteitscentrales voor WOZ
Deze cassatiezaak betreft drie zaken waarin de waardering van op percelen geëxploiteerde elektriciteitscentrales centraal staat. De discussie richt zich op de toepassing van de werktuigenvrijstelling zoals opgenomen in artikel 305a van de oude Gemeentewet en artikel 2, lid 1, onderdeel e van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ.
De conclusie van de procureur-generaal behandelt de uitleg van deze wettelijke bepalingen en de vraag of bepaalde onderdelen van de elektriciteitscentrales als werktuigen kunnen worden vrijgesteld van waardering in het kader van de Wet WOZ. De conclusie bevat een bijlage die integraal onderdeel uitmaakt van het oordeel.
De Hoge Raad heeft besloten de uitspraak niet te publiceren, wat betekent dat de inhoudelijke motivering en het oordeel niet in de openbare rechtspraak worden opgenomen. De zaak betreft een belangrijke interpretatie van fiscale waarderingsregels voor onroerende zaken met bijzondere bedrijfsfuncties.
Uitkomst: De Hoge Raad heeft de uitspraak niet gepubliceerd betreffende de toepassing van de werktuigenvrijstelling bij WOZ-waardering van elektriciteitscentrales.