ECLI:NL:HR:2006:AU6094

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/324HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevergoeding wegens vogelsterfte door buurman

Eiser heeft tegen verweerder een vordering ingesteld tot schadevergoeding wegens een vermeende onrechtmatige daad die heeft geleid tot de dood van een groot aantal vogels in volières. De rechtbank wees de vordering toe, maar het gerechtshof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af. Eiser stelde daarop beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad overwoog dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

De zaak betreft de uitleg van het begrip 'verholen grief', de grenzen van de rechtsstrijd en de maatstaf voor hinder. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de vordering van eiser niet toewijsbaar was.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

13 januari 2006
Eerste Kamer
Nr. C04/324HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 26 oktober 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Assen en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som der schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 5 september 2000 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [eiser] tot overlegging van de in de rov. 5.1 en 5.2 bedoelde stukken en tot het verstrekken van de in rov. 5.3 bedoelde gegevens en bij tussenvonnis van 16 januari 2001 [eiser] tot bewijslevering toegelaten.
Na enquête en contra-enquête heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 18 december 2001 [verweerder] tot bewijslevering toegelaten.
Bij eindvonnis van 8 oktober 2002 heeft de rechtbank de vordering van [eiser] toegewezen, [verweerder] in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] veroordeeld, en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen alle vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 28 juli 2004 heeft het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] afgewezen en hem in de proceskosten van beide instanties aan de zijde van [verweerder] veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 januari 2006.