ECLI:NL:HR:2006:AU6319
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid OvJ bij ontbreken appèlmemorie en strafvermindering wegens termijnoverschrijding
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarin de verdachte was veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf voor medeplegen van verschillende strafbare feiten, waaronder oplichting en afpersing.
De verdachte stelde onder meer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moest worden in hoger beroep omdat deze geen appèlmemorie had ingediend. Het hof verwierp dit verweer met het oordeel dat artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid en niet de plicht inhoudt om een appèlschriftuur in te dienen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien de cassatiefase meer dan zestien maanden duurde. Dit leidde tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de duur van de gevangenisstraf betrof en verminderde deze tot 27 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot 27 maanden en de officier van justitie werd ontvankelijk verklaard ondanks het ontbreken van een appèlmemorie.