ECLI:NL:HR:2006:AU6514

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/328HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken memorie van grieven

In deze zaak vorderde de Ontvanger van de Belastingdienst betaling van een bedrag van ƒ 61.416,--, vermeerderd met invorderingsrente, van eiser. De rechtbank wees de vordering toe. Eiser stelde hoger beroep in bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Tijdens de procedure stelde de procureur van eiser zich onttrokken en werd de akte non-conclusie verleend wegens het ontbreken van een memorie van grieven. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk bij arrest van 27 juli 2004. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen dit arrest.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser niet tot cassatie konden leiden, mede omdat het ontbreken van een memorie van grieven een formele vereiste is voor ontvankelijkheid in hoger beroep. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en wees het cassatieberoep af. Tevens veroordeelde de Hoge Raad eiser in de kosten van het geding in cassatie.

De uitspraak benadrukt het belang van het tijdig en correct indienen van processtukken in hoger beroep en bevestigt de strikte toepassing van procesrechtelijke regels omtrent ontvankelijkheid.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken memorie van grieven en wijst cassatieberoep af.

Uitspraak

10 februari 2006
Eerste Kamer
C04/328HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ONDERNEMINGEN ROOSENDAAL,
gevestigd te Roosendaal,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: voorheen mr. M.J. Schenck,
thans mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 4 september 2001 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Dordrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan de Ontvanger te betalen een bedrag van ƒ 61.416,-- (€ 27.869,37), te vermeerderen met de invorderingsrente. [Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 11 september 2002 [eiser] tot bewijslevering toegelaten en bij eindvonnis van 21 mei 2003 de vordering van de Ontvanger toegewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [eiser] bij exploot van 20 augustus 2003, hersteld bij exploot van 14 oktober 2003, hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en heeft hij de Ontvanger opgeroepen te verschijnen ter zitting van 13 november 2003.
De zaak is op die dag ter rolle aangebracht en vervolgens telkens aangehouden voor memorie van grieven.
De procureur van de Ontvanger heeft bij brief van 13 april 2004, met afschrift aan de rolraadsheer van het hof, de procureur van [eiser], onder verwijzing naar het feit dat [eiser] ter rolle van 29 april 2003 (ambtshalve) peremptoir stond voor grieven, akte non-conclusie aangezegd voor het geval op die rol niet van grieven gediend mocht worden. Ter rolle van 29 april 2004 is tegen [eiser] op verzoek van de Ontvanger akte non-conclusie verleend, heeft de procureur van [eiser] zich onttrokken, en is de zaak verwezen naar de rol voor fourneren van stukken.
Ter rolle van 27 mei 2004 heeft de Ontvanger zijn procesdossier overgelegd aan het hof en arrest gevraagd.
Ter rolle van 15 juli 2004 heeft een andere procureur zich voor [eiser] gesteld; de rolraadsheer heeft op die datum de verleende akte van non-conclusie gehandhaafd,
Bij arrest van 27 juli 2004 heeft het hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep bij gebreke van grieven.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Ontvanger mede door mr. J.M.E. Citteur, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaten van beide partijen hebben op 2 december 2005 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, in buitengewone dienst, P.C. Kop, E.J. Numann, en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 februari 2006.