ECLI:NL:HR:2006:AU6524

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/060HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 3 Cassatieregeling Nederlandse Antillen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erfrechtelijk geschil over eigendom plantage uit onverdeelde nalatenschap en verkrijgende verjaring

In deze zaak draait het om een erfrechtelijk geschil over de eigendom van plantage [A], behorend tot een onverdeeld gebleven nalatenschap van een erflaatster die in 1872 overleed. [Eiser] c.s. vorderden verklaring van exclusief eigendom en betaling van gebruiksvergoeding van [verweerder] c.s., die het bezit van de plantage betwistten en in reconventie een verbod vorderden om zich als eigenaar voor te doen.

Het gerecht in eerste aanleg wees de vorderingen van [eiser] c.s. toe en veroordeelde [verweerder] c.s. tot betaling van een gebruiksvergoeding. Het hof vernietigde dit vonnis echter deels en wees de zaak terug naar de eerste aanleg voor twee van de verweerders, waarbij het hof de akte van appel als verzet kwalificeerde. Tegen dit hofvonnis werd cassatie ingesteld.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk was voor zover het gericht was tegen het vonnis van het hof dat de zaak terugverwees naar de eerste aanleg, omdat tegen dit tussenvonnis geen cassatieberoep openstaat. Voor het overige werd het beroep verworpen. De Hoge Raad veroordeelde [eiser] c.s. tot betaling van de proceskosten in cassatie.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk voor deel van het geschil en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitspraak

24 maart 2006
Eerste Kamer
Nr. R04/060HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1], zowel voor zich als in zijn hoedanigheid van schriftelijk gevolmachtigde van:
2. [Eiser 2],
3. [Eiseres 3],
4. [Eiser 4],
5. [Eiseres 5],
6. [Eiseres 6],
7. [Eiseres 7],
8. [Eiseres 8],
allen wonende op Curaçao, Nederlandse Antillen,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerder 2],
3. [Verweerder 3],
allen wonende op Curaçao, Nederlandse Antillen,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. F.A.M. van Bree.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met drie afzonderlijke op 27 augustus 2002 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen en Aruba, zittingsplaats Curaçao, hierna: het gerecht, ingekomen verzoekschriften op verkorte termijn hebben verzoekers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - in drie procedures tegen verweerders in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] - zich gewend tot dat gerecht en in elk van die procedures samengevat een verklaring voor recht verzocht dat [eiser] c.s. als de erven van [betrokkene 1] bij uitsluiting de alleengerechtigden zijn tot de nalatenschap van [betrokkene 2], overleden op Curaçao op 14 augustus 1872, en bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de veroordeling van [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] verzocht tot betaling aan [eiser] c.s. van NAƒ 1.992,--, vermeerderd met NAƒ 120,-- per jaar voor elk jaar of een gedeelte van een jaar dat [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] op de plantage [A] mochten verblijven, met de wettelijke rente daarover vanaf de indiening van het verzoekschrift en met veroordeling van [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] in de proceskosten.
Na ambtshalve voeging van de drie voormelde zaken door het gerecht bij incidenteel vonnis van 4 november 2002 heeft [verweerder 1] heeft de vorderingen bestreden en is tegen de niet verschenen [verweerder 2] en [verweerder 3] verstek verleend.
[Verweerder 1] heeft voorts in reconventie samengevat gevorderd [eiser] c.s. te verbieden handelingen te verrichten waarbij zij op enigerlei wijze de indruk kunnen wekken dat zij als eigenaar van de plantage [A] optreden, alsmede voor recht te verklaren dat plantage [A] nog steeds een onverdeelde boedel is, dat [eiser] c.s. in geen geval hebben bewezen enig erfgenaam te zijn en zich ook niet als eigenaren van die plantage mogen voordoen.
[Eiser] c.s. hebben in reconventie de vorderingen bestreden.
Het gerecht heeft bij vonnis van 6 januari 2003, hersteld bij vonnissen van 21 juli 2003 en 11 augustus 2003, rechtdoende in voormelde gevoegde zaken:
in conventie: voor recht verklaard dat [eiser] c.s. als de erven van [betrokkene 1] vanwege bezitsverkrijging bij uitsluiting gerechtigd zijn tot de door [betrokkene 2] nagelaten plantage [A] alsmede [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] ieder tot betaling aan [eiser] c.s. van een bedrag van NAƒ 1.992,--, te vermeerderen met een jaarlijkse gebruiksvergoeding van NAƒ 120,-- voor elk jaar dat zij ingaande de datum van dit vonnis op de plantage [A] zullen verblijven, verhoogd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf de data van indiening van de drie verzoekschriften, althans de datum van opeisbaarheid van de gebruiksvergoeding, tot de dag der voldoening, met uitvoerbaarverklaring van het vonnis tot zover, en [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] ieder afzonderlijk in de proceskosten aan de zijde van [eiser] c.s. veroordeeld.
in reconventie: de vorderingen van [verweerder 1] afgewezen en [verweerder 1] in de proceskosten van [eiser] c.s. veroordeeld.
Tegen het vonnis van 6 januari 2003 hebben [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] hoger beroep ingesteld bij het gemeenschappelijk hof van justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, hierna: het hof.
Bij vonnis van 24 februari 2004 heeft het hof:
in de zaken 743/2002 en 744/2002: de akte van appel aangemerkt als een akte waarbij [verweerder 2] en [verweerder 3] in verzet komen tegen het bestreden vonnis en deze zaken naar voormeld gerecht in eerste aanleg verwezen;
in de zaak 727/2002: het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] c.s. in conventie afgewezen, de vorderingen in reconventie grotendeels toegewezen en [eiser] c.s. in de proceskosten aan de zijde van [verweerder 1] in beide instanties veroordeeld.
Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] hebben verzocht het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het is ingesteld tegen [verweerder 2] en [verweerder 3] en het beroep te verwerpen voor zover het tegen [verweerder 1] is ingesteld.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep voor zover dit is gericht tegen het vonnis van het gemeenschappelijk hof voor zover gewezen tussen [verweerder 2] als appellant en [eiser] c.s. als geïntimeerden en voor zover gewezen tussen [verweerder 3] als appellant en [eiser] c.s. als geïntimeerden, voorts tot verwerping van het beroep voor zover dit is gericht tegen het vonnis van het gemeenschappelijk hof voor zover gewezen tussen [verweerder 1] als appellant en [eiser] c.s. als geïntimeerden.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het hof heeft in het bestreden vonnis beslist in drie zaken, met de registratienummers AR 743/02, 744/02 en 727/02. In de zaken AR 743/02 en 744/02 (de zaken tussen [verweerder 2] onderscheidenlijk [verweerder 3] als appellant en [eiser] c.s. als geïntimeerden) heeft het hof de akte van appel aangemerkt als een akte waarbij [verweerder 2] en [verweerder 3] in verzet komen en de zaken naar het gerecht in eerste aanleg verwezen. Het vonnis van het hof behelst in zoverre beslissingen die aan het eindvonnis voorafgaan zodat daartegen ingevolge art. 3 van Pro de Cassatieregeling Nederlandse Antillen geen tussentijds cassatieberoep openstaat. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het gericht is tegen het bestreden vonnis gewezen tussen [verweerder 2] en [verweerder 3] als appellanten en [eiser] c.s. als geïntimeerden.
4. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 24 februari 2004, gewezen tussen [verweerder 2] en [verweerder 3] als appellanten en [eiser] c.s. als geïntimeerden;
verwerpt het beroep voor het overige;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. in totaal begroot op € 2.559,34, waarvan € 2.487,34 op de voet van art. 243 Rv Pro. te voldoen aan de Griffier en € 72,-- aan [verweerder] c.s.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 maart 2006.