ECLI:NL:HR:2006:AU8266
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt motiveringsvereisten bij afwijking van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in strafvonnis
In deze strafzaak werd de verdachte door het hof veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf wegens verkrachting, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank vernietigde. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, stellende dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het afweek van zijn uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaring van het slachtoffer onjuist en onbetrouwbaar was.
De Hoge Raad herhaalt de wettelijke motiveringsvereisten van artikel 359, tweede lid, Sv, zoals gewijzigd per 1 januari 2005 door de Wet bekennende verdachte. Deze vereisen dat de rechter bij niet-aanvaarding van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van verdachte of openbaar ministerie in het vonnis de redenen daarvoor uitdrukkelijk en gemotiveerd vermeldt. De Hoge Raad verduidelijkt dat niet elk standpunt een dergelijke motivering vereist, maar alleen die welke duidelijk, met argumenten onderbouwd en ondubbelzinnig aan de feitenrechter zijn voorgelegd.
Het hof had het betoog van de verdachte niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt opgevat, wat de Hoge Raad niet onjuist of onbegrijpelijk acht. Het cassatieberoep faalt daarom. De Hoge Raad bevestigt dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat op elk detail van de argumentatie moet worden ingegaan, en dat een verzuim tot motivering slechts leidt tot nietigheid indien het van wezenlijke betekenis is.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en handhaaft het arrest van het hof, waarmee de veroordeling van de verdachte tot dertig maanden gevangenisstraf wegens verkrachting in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot dertig maanden gevangenisstraf wegens verkrachting.