ECLI:NL:HR:2006:AU8283
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een verstekarrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage uit 1993, waarin verdachte werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens meineed. De mededeling van het arrest aan verdachte vond pas in 2005 plaats, terwijl verdachte sinds 1998 onafgebroken in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stond ingeschreven.
De Hoge Raad oordeelt dat het Openbaar Ministerie (OM) niet de nodige voortvarendheid heeft betracht bij de betekening van de verstekmededeling, aangezien er tussen 1998 en 2005 geen pogingen zijn gedaan om de uitspraak aan verdachte bekend te maken. Hierdoor is de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro overschreden.
De Hoge Raad stelt dat verdachte zich niet kan beroepen op schending van het recht op een redelijke termijn indien hij nalaat zijn adreswijzigingen door te geven of voorzieningen treft om kennis te nemen van processtukken. In dit geval stond verdachte echter ingeschreven in de GBA, zodat het OM verantwoordelijk is voor de vertraging.
Gelet op het belang van de verdachte bij verval van het recht tot strafvervolging na overschrijding van de redelijke termijn, verklaart de Hoge Raad het OM niet-ontvankelijk in de vervolging en vernietigt het arrest van het hof.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn bij verstekmededeling.