ECLI:NL:HR:2006:AU8901
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tenietdoen van een inschuld door dwang bij ontslag op staande voet
In deze strafzaak stond centraal de vraag of het onder dwang accepteren van een ontslag op staande voet kan worden aangemerkt als het tenietdoen van een inschuld in de zin van artikel 317 Sr Pro. De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens afpersing, waarbij hij het slachtoffer met geweld had gedwongen het ontslag te accepteren en daarmee af te zien van een loonvordering.
De verdediging voerde aan dat ontslag en de gevolgen daarvan juridisch gescheiden zijn, en dat het accepteren van het ontslag niet automatisch het verval van loonvorderingen betekent. Het hof oordeelde echter dat instemming met onverwijld ontslag onvermijdelijk het verval van de loonvordering tot gevolg heeft, en dat het dwangmatig laten accepteren van het ontslag dus neerkomt op het tenietdoen van een inschuld.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het niet relevant is of het slachtoffer civielrechtelijk nog mogelijkheden zou hebben om het ontslag aan te vechten of loon te vorderen. Door de bedreiging met geweld was het slachtoffer gedwongen af te zien van haar vordering, wat het delict onder artikel 317 Sr Pro oplevert.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte tot twee jaar gevangenisstraf wegens afpersing in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot twee jaar gevangenisstraf wegens afpersing door dwang bij ontslag op staande voet.