ECLI:NL:HR:2006:AU9241

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/088HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:153 lid 1 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping van het pensioenverweer in geschil over boedelverdeling na echtscheiding

De zaak betreft een geschil tussen ex-echtelieden over de verdeling van de huwelijksgemeenschap na hun echtscheiding. De vrouw stelde een pensioenverweer in op grond van artikel 1:153 lid 1 BW Pro, dat door de Hoge Raad werd verworpen. De rechtbank Maastricht sprak op 16 juni 2004 de echtscheiding uit en beval de verdeling van de huwelijksgemeenschap, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon ter vertegenwoordiging van de vrouw indien zij niet zou meewerken.

De vrouw stelde hoger beroep in bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat op 29 maart 2005 de beschikking van de rechtbank bekrachtigde na mondelinge behandeling en het horen van partijen. Vervolgens stelde de vrouw beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, die het beroep verwerpt zonder nadere motivering omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad bevestigt hiermee de gebruikelijke toepassing van de Nederlandse regelgeving omtrent boedelverdeling en wijkt niet af op basis van redelijkheid en billijkheid of internationale regelgeving. De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad uit 1990 en 2000.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de verdeling van de huwelijksgemeenschap na echtscheiding.

Uitspraak

14 april 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/088HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. B.D.W. Martens,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 27 februari 2004 heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - bij de rechtbank te Maastricht een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. Dit verzoekschrift is op 3 maart 2004 aan verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - betekend.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bij beschikking van 16 juni 2004 tussen partijen echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen bevolen, zulks met benoeming van mr. M.H.M. Bemelmans te Nuth als notaris ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden en met benoeming van mr. B. Reumkens, kandidaat notaris te Nuth, tot onzijdig persoon om de vrouw bij de verdeling te vertegenwoordigen, indien zij zou weigeren of in gebreke zou blijven voor de notaris te verschijnen of medewerking aan de verdeling te verlenen.
Bij beroepschrift, ingekomen op 19 juli 2004, heeft de vrouw tegen de beschikking van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Voor zover in cassatie van belang heeft de vrouw verzocht te bevelen "dat de uitgesproken echtscheiding wordt teruggedraaid op basis van rechtsoverwegingen die de Hoge Raad ertoe heeft gebracht af te wijken van een gebruikelijke toepassing van Nederlandse regelgeving omdat redelijkheid en billijkheid, mede gelet op de omstandigheden van het geval en internationale regelgeving die slaat op de bescherming van het individu en van het gezin, waarbij aansluiting wordt gevraagd bij Hoge Raad 7 december 1990, NJ 1991/593 en Hoge Raad 6 oktober 2000, NJ 2004/58".
De man heeft verweer gevoerd.
Na mondelinge behandeling op 22 februari 2005, waarbij partijen zijn gehoord, heeft het hof bij beschikking van 29 maart 2005 de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief, ingekomen ter griffie op 20 januari 2006, op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 april 2006.