ECLI:NL:HR:2006:AU9438

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01742/04 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36e SrArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering opgelegd bedrag ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na overschrijding redelijke termijn

De betrokkene werd door het hof verplicht tot betaling van een bedrag van € 65.119,28 aan de Staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In cassatie werd aangevoerd dat het voordeel niet persoonlijk aan haar was toegekomen, maar aan haar BV, en dat zij in haar verdediging was belemmerd door uitzetting van belastende getuigen.

De Hoge Raad oordeelde dat het verweer dat het voordeel aan de BV zou zijn toegekomen niet in cassatie kan worden behandeld omdat het een feitelijke stelling betreft die niet in het geding was gebracht tijdens de terechtzitting. Ook werd geoordeeld dat het beroep op vormverzuim wegens het ontbreken van ondervraging van getuigen onvoldoende gemotiveerd was.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de cassatiefase was overschreden, wat rechtvaardigt dat het opgelegde bedrag wordt verminderd. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden bedrag en stelde het vast op € 61.860,-. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het opgelegde bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is verminderd tot € 61.860,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

21 maart 2006
Strafkamer
nr. 01742/04 P
AGJ/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 oktober 2003, nummer 23/000777-02, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Amsterdam van 26 juli 2000 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 65.119,28.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verlaging van het vastgestelde te betalen bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. De betrokkene heeft op 22 oktober 2003 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 1 juli 2004 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 29 november 2005 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel komt, blijkens de daarop gegeven toelichting, in de kern neer op de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft geoordeeld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is toegevloeid aan de betrokkene persoonlijk in plaats van aan de besloten vennootschap waarvan zij directeur en enig aandeelhouder is (hierna: de BV).
4.2. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2003 gehechte pleitnota is namens de betrokkene verweer gevoerd tegen de door de Rechtbank gehanteerde methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en tegen de "omkering van de bewijslast in die zin dat cliënte de 'beredeneerde' wederrechtelijk verkregen vermogensaanwas moet ontzenuwen". Uit het verhandelde ter terechtzitting kan niet volgen dat door of namens de betrokkene de nu in het middel verwoorde stelling is betrokken dat, voorzover wederrechtelijk voordeel is verkregen, dat voordeel niet aan de betrokkene persoonlijk is toegevloeid maar aan de BV. Voor een dergelijk verweer, dat van feitelijke aard is, is in cassatie geen plaats, zodat het middel faalt.
5. Beoordeling van het derde middel
5.1. Het middel klaagt erover dat het Hof ontoereikend gemotiveerd het beroep op een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv heeft verworpen, welk vormverzuim erin bestond dat de verdediging geen gelegenheid heeft gehad de getuigen, die belastende verklaringen hebben afgelegd, te ondervragen.
5.2. Namens de betrokkene is ter terechtzitting in hoger beroep een verweer gevoerd als in de schriftuur weergegeven bij de toelichting op het middel onder 1 en 2. Dat verweer bevat de stelling dat de betrokkene als gevolg van de uitzetting van personen, die belastend ten aanzien van haar hadden verklaard, ernstig in haar verdediging is belemmerd. Daarom verzoekt zij onder aanhaling van art. 36e, vierde lid, Sr "het te betalen bedrag aanzienlijk te matigen". Het Hof heeft het aangevoerde kennelijk en - mede gelet op het uitdrukkelijk gedane beroep op toepassing van art. 36e, vierde lid, Sr - niet onbegrijpelijk niet opgevat als een verweer, daartoe strekkende dat toepassing diende te worden gegeven aan art. 359a Sv. Het middel mist dus feitelijke grondslag.
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
Vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 61.860,- bedraagt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 21 maart 2006.