ECLI:NL:HR:2006:AU9438
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering opgelegd bedrag ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na overschrijding redelijke termijn
De betrokkene werd door het hof verplicht tot betaling van een bedrag van € 65.119,28 aan de Staat wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In cassatie werd aangevoerd dat het voordeel niet persoonlijk aan haar was toegekomen, maar aan haar BV, en dat zij in haar verdediging was belemmerd door uitzetting van belastende getuigen.
De Hoge Raad oordeelde dat het verweer dat het voordeel aan de BV zou zijn toegekomen niet in cassatie kan worden behandeld omdat het een feitelijke stelling betreft die niet in het geding was gebracht tijdens de terechtzitting. Ook werd geoordeeld dat het beroep op vormverzuim wegens het ontbreken van ondervraging van getuigen onvoldoende gemotiveerd was.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de cassatiefase was overschreden, wat rechtvaardigt dat het opgelegde bedrag wordt verminderd. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden bedrag en stelde het vast op € 61.860,-. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het opgelegde bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is verminderd tot € 61.860,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.