ECLI:NL:HR:2006:AU9521
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waardering van schuldvordering binnen fiscale eenheid op nominale waarde
Belanghebbende, een vennootschap die sinds 1980 een fiscale eenheid vormt met haar dochtervennootschap B B.V., kreeg voor het jaar 1998 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd na correcties door de Inspecteur. De Inspecteur corrigeerde onder meer de waardering van een schuldvordering die belanghebbende had gecedeerd aan een aandeelhouder, C.
De fiscale eenheid had een vordering op B B.V. die in 1992 werd gecedeerd aan C voor een lagere economische waarde dan de nominale waarde. In 1996 werd deze schuld omgezet in een uitgestelde lijfrente. De waardering van deze schuldvordering in de fiscale eenheid werd door de Inspecteur gecorrigeerd van de nominale waarde naar een hogere contante waarde, wat leidde tot een hogere belastbare winst.
Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat de schuldvordering binnen de fiscale eenheid op nominale waarde moet worden gewaardeerd. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, omdat het middel dat een waardering op contante waarde eist, gebaseerd is op feiten die niet eerder aan het Hof zijn voorgelegd en omdat waarderingsvragen van feitelijke aard in cassatie niet worden getoetst.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten en verklaart het beroep ongegrond. Hiermee is de waarderingsmethode binnen fiscale eenheden bevestigd, met implicaties voor de winstbepaling en belastingheffing.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de schuldvordering binnen de fiscale eenheid op nominale waarde moet worden gewaardeerd.