ECLI:NL:HR:2006:AU9526
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing zestiende standaardvoorwaarde bij goodwill en fiscale eenheid
Belanghebbende, onderdeel van een fiscale eenheid, kocht in 1998 alle aandelen van G B.V. voor een bedrag dat hoger was dan het eigen vermogen, waarbij het verschil werd toegerekend aan goodwill. Medio 1998 droeg G haar activa en passiva over aan D B.V., waarbij geen stille reserves werden overgedragen, hoewel D commercieel goodwill activeerde. Ultimo 1999 was er geen goodwill van G meer aanwezig in D. In 2000 verkocht belanghebbende de aandelen in D aan een derde.
De Inspecteur legde een aanslag vennootschapsbelasting op die na bezwaar werd verminderd, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat de sanctie van de zestiende standaardvoorwaarde niet van toepassing is omdat er geen sprake was van een ten goede komen in de zin van die standaardvoorwaarde, nu er geen stille reserves aanwezig waren na de overdracht en de goodwill verdwenen was. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de sanctie van de zestiende standaardvoorwaarde wordt niet toegepast.