ECLI:NL:HR:2006:AU9724
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- E.J. Numann
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid aanvullende toestemming tot uitlevering ondanks eerdere kennelijke vergissing
De zaak betreft een geschil over de rechtmatigheid van aanvullende toestemming tot uitlevering door de Nederlandse minister van Justitie. [Eiser], met de Britse en Nigeriaanse nationaliteit, was aanvankelijk gedeeltelijk uitgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk voor strafvervolging wegens invoer van drugs, maar de uitlevering voor het diamorfine-feit werd door de rechtbank Haarlem als ontoelaatbaar verklaard wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid. Deze uitspraak werd onherroepelijk nadat het cassatieberoep door [eiser] werd ingetrokken.
Later verzochten de Britse autoriteiten op grond van een kennelijke vergissing alsnog aanvullende toestemming voor uitlevering met betrekking tot het diamorfine-feit. De minister van Justitie verleende deze toestemming, waarna [eiser] in het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld. [Eiser] stelde dat deze aanvullende toestemming onrechtmatig was omdat de eerdere onherroepelijke uitspraak van de rechtbank niet mocht worden genegeerd en dat de minister daarmee het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel schond.
De voorzieningenrechter en het hof verwierpen deze vorderingen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat het EUV en de Uitleveringswet het mogelijk maken dat aanvullende toestemming wordt verleend ook als voor dat feit eerder uitlevering was afgewezen, mits aan de voorwaarden van dubbele strafbaarheid en redelijke verdenking is voldaan. De minister is niet gebonden aan de eerdere onherroepelijke uitspraak van de uitleveringsrechter in dit kader. Het beroep van [eiser] werd verworpen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de minister van Justitie aanvullende toestemming tot uitlevering mag verlenen ondanks een eerdere onherroepelijke afwijzing wegens kennelijke vergissing.