ECLI:NL:HR:2006:AU9858
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek in zaak valsheid in geschrift
De aanvrager was door de Politierechter te Rotterdam veroordeeld voor valsheid in geschrift en meermalen gepleegd valsheid in geschrift, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken en een geldboete van duizend gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis.
De aanvrage tot herziening werd ingediend met het verzoek het vonnis te herzien op grond van nieuwe omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet aan het licht waren gekomen. Volgens artikel 457 Sv Pro kunnen slechts nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring of toepassing van een mildere straf zouden leiden, grond zijn voor herziening.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde omstandigheden niet voldeden aan deze criteria en dat de aanvrage daarom niet kon worden ontvangen. Op basis van artikel 459 en Pro 460 Sv werd de aanvrage niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Koster als voorzitter en de raadsheren Corstens en Thomassen, en uitgesproken op 10 januari 2006.
Uitkomst: Verzoek tot herziening van het vonnis wegens valsheid in geschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard.