ECLI:NL:HR:2006:AV0187

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03088/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feitelijke omstandigheden

De zaak betreft een aanvrage tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij de aanvrager was veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Het hof had de aanvrager veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week en de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf gelast.

De Hoge Raad beoordeelde het herzieningsverzoek aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering. Deze artikelen vereisen dat een herzieningsverzoek steunt op nieuwe, feitelijke omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet aan het licht zijn gekomen en die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid.

De aanvrage stelde in essentie dat de aanvrager geen strafbaar feit had gepleegd, maar bracht geen nieuwe feitelijke omstandigheden naar voren. Daarom voldeed het verzoek niet aan de wettelijke vereisten en kon het niet worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaarde het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere veroordeling.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feitelijke omstandigheden.

Uitspraak

17 januari 2006
Strafkamer
nr. 03088/05 H
AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 december 2004, nummer 20-001952/04, ingediend door:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - behalve ten aanzien van de strafoplegging, de strafmotivering en de beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging - bevestigd een vonnis van de Rechtbank te Breda van 30 oktober 2003, waarbij de aanvrager is veroordeeld ter zake van "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht". Het Hof heeft de aanvrager veroordeeld tot één week gevangenisstraf. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Beoordeling van de aanvrage tot herziening
2.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijk-verklaring van een minder zware strafbepaling. Bedoelde omstandigheden moeten van feitelijke aard zijn.
2.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
2.3. Het in de aanvrage gestelde houdt in de kern niet meer in dan dat de aanvrager "geen misdrijf of strafbare feit(en)" heeft gepleegd en behelst niet een beroep op een feitelijke omstandigheid als hiervoor bedoeld. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 17 januari 2006.