ECLI:NL:HR:2006:AV0187
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe feitelijke omstandigheden
De zaak betreft een aanvrage tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij de aanvrager was veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Het hof had de aanvrager veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week en de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf gelast.
De Hoge Raad beoordeelde het herzieningsverzoek aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering. Deze artikelen vereisen dat een herzieningsverzoek steunt op nieuwe, feitelijke omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet aan het licht zijn gekomen en die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid.
De aanvrage stelde in essentie dat de aanvrager geen strafbaar feit had gepleegd, maar bracht geen nieuwe feitelijke omstandigheden naar voren. Daarom voldeed het verzoek niet aan de wettelijke vereisten en kon het niet worden ontvangen.
De Hoge Raad verklaarde het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere veroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feitelijke omstandigheden.