ECLI:NL:HR:2006:AV0406
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ontvankelijkheid bezwaar tegen successierechtaanslagen na nalatenschap
Belanghebbenden ontvingen aanslagen in het recht van successie naar aanleiding van de nalatenschap van een erflaatster die op 3 januari 2001 overleed. De aanslagen werden op één aanslagbiljet verenigd en op 12 juli 2001 opgelegd aan de executeur-testamentair, die het biljet op zijn adres ontving. Deze verbleef echter van 1 juli tot en met 30 november 2001 in de Verenigde Staten en ontdekte het aanslagbiljet pas na terugkeer. Op 1 december 2001 tekende hij bezwaar aan, dat door de Inspecteur niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening.
Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbenden ongegrond en oordeelde dat het verblijf in het buitenland voor rekening van de executeur-testamentair kwam, ook al was er een brief van de Inspecteur van 23 mei 2001 waarin werd meegedeeld dat geen aangifte hoefde te worden gedaan tenzij meer werd verkregen dan de vrijstelling. De Hoge Raad oordeelt dat indien belanghebbenden vertrouwen konden ontlenen aan die brief, zij niet behoefden bedacht te zijn op toezending van een aanslagbiljet. Echter, het Hof heeft terecht geoordeeld dat op grond van de inhoud van die brief geen dergelijk vertrouwen bestond.
De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbenden erop bedacht moesten zijn dat een aanslagbiljet zou kunnen worden toegezonden, waardoor het niet treffen van maatregelen om tijdig bezwaar te maken voor hun risico komt. Het beroep in cassatie wordt daarom ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten aan belanghebbenden opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard omdat belanghebbenden erop bedacht moesten zijn dat aanslagbiljetten successierecht zouden worden toegezonden.