ECLI:NL:HR:2006:AV0654

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/016HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbegrijpelijk oordeel hof over partneralimentatie na echtscheiding

De vrouw verzocht na echtscheiding partneralimentatie van €4.000 per maand, vermeerderd met wettelijke indexering, terwijl de man dit betwistte. De rechtbank wees de alimentatie toe, maar het hof stelde deze vast op €1.490 per maand, met toepassing van wettelijke indexering. Het hof motiveerde dit door de behoefte van de vrouw te halveren, omdat zij erkende dat de helft van de kosten mede voor de kinderen was.

De Hoge Raad oordeelde dat deze halvering zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De vrouw had een behoefteoverzicht van €4.935 per maand overgelegd, en het hof mocht die behoefte niet zomaar halveren zonder voldoende onderbouwing. Hierdoor kon het hofarrest niet in stand blijven.

De zaak werd vernietigd en verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad benadrukte het belang van een duidelijke motivering bij het vaststellen van de partneralimentatie, zeker wanneer kosten deels voor kinderen zijn gemaakt.

De man woont in Zwitserland met een bruto inkomen van circa €13.178 per maand, de vrouw woont in Nederland met een netto inkomen van €944 per maand en zorgt voor twee minderjarige kinderen. De procedure betrof een geschil over de juiste hoogte van de partneralimentatie na echtscheiding.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofarrest over partneralimentatie wegens onbegrijpelijke motivering en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling.

Uitspraak

24 februari 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/016HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats], Zwitserland,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 25 april 2002 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed, tussen haar en verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken en - voor zover in cassatie nog van belang - de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man vast te stellen op € 4.000,-- per maand, vermeerderd met de wettelijke indexering per 1 januari 2003, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man heeft het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de partneralimentatie bestreden.
De rechtbank heeft na een tussenbeschikking van 18 augustus 2003 bij eindbeschikking van 16 februari 2004 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 4.000,-- per maand met uitsluiting van de toepasselijke wijziging van rechtswege ingevolge art. 1:402a BW, en deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen laatstvermelde beschikking heeft de man wat de partneralimentatie betreft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 3 november 2004 heeft het hof de bestreden beschikking wat de partneralimentatie en de uitsluiting van de wettelijke indexering betreft vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 27 mei 2004 op € 1.490,-- per maand bepaald met wijziging van rechtswege conform art. 1:402a BW, en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn op 11 juni 1988 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee dochters geboren, de eerste op [geboortedatum] 1990 en de tweede op [geboortedatum] 1994.
(ii) Bij beschikking van 16 februari 2004 is tussen partijen echtscheiding uitgesproken; de beschikking is op 27 mei 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(iii) Bij de genoemde beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw aan kinderalimentatie dient te betalen € 1.000,-- per maand per kind en aan partneralimentatie € 4.000,-- per maand, met uitsluiting van de wettelijke indexering.
(iv) De man woont als alleenstaande in Zwitserland. Hij is in loondienst en zijn inkomen daaruit bedraagt, volgens de salarisspecificaties van januari, februari en mei 2004, € 13.178,-- bruto per maand, inclusief bepaalde emolumenten.
(v) De vrouw woont met de kinderen in Nederland en vormt samen met hen een éénoudergezin. Zij is in loondienst en haar inkomen daaruit bedraagt € 944,-- netto per maand.
3.2 De man is in hoger beroep gekomen van de hiervoor genoemde beschikking en heeft, voorzover in cassatie van belang, een grief geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat hij € 4.000,-- per maand aan partneralimentatie aan de vrouw dient te voldoen. Volgens de man is deze alimentatie niet in overeenstemming met de behoefte van de vrouw.
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd wat betreft de partneralimentatie en heeft deze bepaald op € 1.490,-- per maand. Het hof overwoog daartoe, samengevat, dat de vrouw een behoefteoverzicht heeft overgelegd dat het hof als uitgangspunt zal nemen en waarin de vrouw haar behoefte heeft gesteld op € 4.935,-- per maand. De vrouw heeft niet weersproken de stelling van de man dat de helft van de opgevoerde kosten (mede) ten behoeve van de kinderen wordt gemaakt. Daarom houdt het hof met dit deel van de kosten geen rekening en bepaalt het de netto behoefte van de vrouw op € 2.468,-- per maand (rov. 6).
3.3 Onderdeel 1 klaagt terecht dat het feit dat de vrouw heeft erkend dat de helft van het in rov. 6 genoemde bedrag van € 4.935,-- bestaat uit kosten die (mede) ten behoeve van de kinderen worden gemaakt, niet het oordeel kan dragen dat de behoefte van de vrouw niet moet worden bepaald op dat bedrag maar op € 2.468,-- per maand. Die halvering is derhalve zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk. Dit brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en dat de overige onderdelen geen behandeling behoeven.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 november 2004;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 februari 2006.