ECLI:NL:HR:2006:AV0824
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 18 Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij geruisloze inbreng en voortzetting onderneming
Belanghebbende verzocht de Inspecteur om toepassing van artikel 18, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op de geruisloze inbreng van zijn eenmanszaak in een besloten vennootschap. De Inspecteur wees dit verzoek af, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Dit hof verklaarde het beroep ongegrond. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak naar het Hof Amsterdam.
Het Hof Amsterdam handhaafde de afwijzing, oordelend dat de geruisloze inbreng niet van toepassing was omdat de onderneming was gewijzigd in aard en omvang. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever niet heeft beoogd de faciliteit van geruisloze inbreng uit te sluiten bij gelijktijdige wijzigingen in aard en omvang van de onderneming, mits de B.V. nog een onderneming drijft zoals bedoeld in artikel 6 Wet Pro IB 1964.
De Hoge Raad stelde vast dat de B.V. als commanditair vennoot gedurende vijf jaar medegerechtigd was tot het vermogen van de onderneming en zou delen in het liquidatiesaldo, waardoor sprake was van een onderneming voor rekening van de B.V. De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken van het Hof en de Inspecteur en droeg de Inspecteur op een nieuwe beschikking te geven. Tevens werden proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de toepassing van artikel 18 Wet IB 1964 bij geruisloze inbreng ondanks wijzigingen in aard en omvang van de onderneming.