ECLI:NL:HR:2006:AV0829

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41990
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14b Wet op de vennootschapsbelasting 1969Richtlijn nr. 90/434/EEG (Fusierichtlijn)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbindendheid van de vijfde standaardvoorwaarde bij juridische fusie volgens de Fusierichtlijn

In deze zaak heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen een beschikking van de Inspecteur waarin voorwaarden waren gesteld op grond van artikel 14b, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Na handhaving van deze voorwaarden door de Inspecteur, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de vijfde standaardvoorwaarde, opgenomen in het Besluit van 8 juli 1998 en gewijzigd in 2000, niet verbindend zou zijn omdat deze in strijd zou zijn met de Fusierichtlijn (richtlijn nr. 90/434/EEG). De Hoge Raad oordeelde echter dat de voorwaarde niet leidt tot belemmering van de faciliteiten die de Fusierichtlijn biedt en dat er geen strijd is met artikel 14b van de Wet.

De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep ongegrond is en wees geen proceskosten toe. Hiermee is bevestigd dat de Inspecteur bevoegd is om de vijfde standaardvoorwaarde te verbinden aan de beschikking in het kader van juridische fusies onder de Wet op de vennootschapsbelasting.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de vijfde standaardvoorwaarde blijft verbindend.

Uitspraak

Nr. 41.990
3 februari 2006
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 2005, nr. BK-03/02850, betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 14b, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
In zijn beschikking van 28 maart 2002 op een aanvraag van belanghebbende als bedoeld in artikel 14b, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet), heeft de Inspecteur door de Staatssecretaris gestelde voorwaarden opgenomen, welke, na tegen de beschikking gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Voor het Hof was in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur aan het geven van de onderhavige beschikking de voorwaarde mocht verbinden die is opgenomen onder punt 5 van het Besluit van 8 juli 1998, nr. DB98/1507M, BNB 1998/296, zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/3131M, V-N 2001/8.3 (hierna: de vijfde standaardvoorwaarde). Het Hof heeft geoordeeld dat dit het geval is.
3.2. Voorzover het middel strekt ten betoge dat de Fusierichtlijn (richtlijn nr. 90/434/EEG) meebrengt dat de vijfde standaardvoorwaarde onverbindend is, faalt het omdat de onderwerping aan de vijfde standaardvoorwaarde er niet toe leidt dat de bij de fusie betrokken rechtspersonen worden belemmerd in het gebruikmaken van de faciliteit waarin de Fusierichtlijn voorziet. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat het stellen van de vijfde standaardvoorwaarde niet in strijd is met de Fusierichtlijn.
3.3. Het middel faalt ook voor het overige, aangezien de vijfde standaardvoorwaarde niet in strijd is met artikel 14b van de Wet.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2006.